De accountant en de belastingconsulent zijn gehouden aan een welbepaalde beroepsethiek; de basisprincipes worden hierna samengevat:
1. Verbod op het uitoefenen van een commercieel bedrijf
De accountant en de belastingconsulent oefenen een vrij beroep uit. Elke commerciële activiteit die de geestelijke onafhankelijkheid van de accountant zou benadelen is onverenigbaar met het lidmaatschap van het Instituut. Zoals bijvoorbeeld de functie van verzekeringsmakelaar of -agent.
De activiteit zelf uitvoeren is verboden, niet het uitoefenen van de werkzaamheden van accountant binnen ondernemingen die eventueel onverenigbare activiteiten tot doel hebben.
Dit verbod heeft verschillende gevolgen:
- geen inschrijving in het handelsregister
- geen ‘algemene betalingsvoorwaarden’ op de achterzijde van briefpapier en ereloonnota’s
- de hoedanigheid van lid van het Beroepsinstituut van Vastgoedmakelaars is onverenigbaar met de hoedanigheid van het lid van het IAB. De Raad is echter wel van oordeel dat een accountant de functie van syndicus kan uitoefenen in een mede-eigendom waarvan hijzelf eigenaar is.
Zie bijhorende artikelen:
- Art. 2 Wetboek van Koophandel voor opsomming van de commerciële activiteiten
- Artikel 31, 1° van de Wet van 22 april 1999 (voorheen art. 81, § 1, al. 2, Wet 21 februari 1985)
- De Raad vaardigde op 12 april 1986 de hiernavolgende nota van plichtenleer uit die dit verbod toelicht. Nota van plichtenleer nr. 1 betreffende de vereiste waarborgen ten opzichte van de onafhankelijkheid en de beroepsrechtschapenheid.
2. Verbod op het uitoefenen van een taak van bestuurder of zaakvoerder in handelsvennootschappen of vennootschappen met handelsvorm
Artikel 31 van de Wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen schrijft voor dat de externe accountant en de externe belastingconsulent geen taak van bestuurder of zaakvoerder mogen opnemen in een handelsvennootschap of in een vennootschap die niet is opgericht onder houders met dezelfde hoedanigheid of onder houders van verschillende hoedanigheden. Het verbod geldt derhalve niet wanneer het een bestuursmandaat betreft in een door het Instituut erkende professionele vennootschap. In dit geval is evenmin toestemming vereist van de Raad van het IAB.
Dit verbod is evenwel niet absoluut. Zo voorziet artikel 31 in twee uitzonderingen op dit beginsel, nl.:
- de gevallen waarin de externe accountant of de externe belastingconsulent door de rechter wordt belast met het bestuur of met het stellen van bepaalde bestuurshandelingen in een handelsvennootschap. Denken we maar aan de voorlopige bewindvoerder die in bepaalde gevallen wordt belast met het bestuur van de vennootschap, of aan de commissaris inzake opschorting (in het kader van de procedure van het gerechtelijk akkoord) die mits machtiging van de rechter bepaalde bestuurshandelingen mag stellen;
- wanneer de Raad hiertoe zijn voorafgaandelijke en steeds herroepbare toestemming verleent.
In de regel verleent de Raad een dergelijke toestemming wanneer het zuiver burgerlijke patrimoniumvennootschappen of zuiver burgerlijke middelenvennootschappen betreft.
Bovendien heeft de Raad van het IAB, bij beslissing van 2 december 2002, geoordeeld dat de externe accountant in bepaalde gevallen en voor een beperkte duur een bestuursmandaat moet kunnen opnemen, hetgeen tot op heden in uitzonderlijke gevallen werd toegestaan.
Het spreekt voor zich dat een dergelijk gegeven geen vrijgeleide mag zijn voor een wildgroei aan bestuursmandaten die worden opgenomen door externe accountants. Het opnemen van een bestuurstaak moet noodzakelijkerwijze worden gekoppeld aan bepaalde voorwaarden.
Bij het verlenen van de toestemming om een bestuursmandaat waar te nemen, zal de Raad zich laten leiden door de volgende criteria :
- de voorafgaandelijke toestemming van de Raad van het Instituut is vereist. De Raad zal zijn toestemming hiertoe slechts verlenen in welbepaalde gevallen die allen verband houden met ondernemingen die tijdelijke moeilijkheden kennen. Deze moeilijkheden kunnen zowel betrekking hebben op de financiële toestand van de onderneming, als op de werking ervan;
- de externe accountant mag enkel een bestuursmandaat opnemen indien en voor zover geen enkele andere minder ingrijpende maatregel geschikt lijkt om aan de tijdelijke "probleemsituatie" in de betrokken vennootschap te remediëren;
- de externe accountant kan het bestuursmandaat slechts opnemen voor een periode van maximum zes maand. Vóór het verstrijken van deze termijn kan hij het Instituut verzoeken om één (of meerdere) verlenging(en) voor eenzelfde of voor een kortere duur. Dit verzoek moet gemotiveerd zijn;
- binnen de vijftien dagen na het beëindigen van zijn bestuursmandaat in de betrokken vennootschap, moet de externe accountant hiervan schriftelijk melding maken bij het Instituut;
- de externe accountant kan enkel een bestuursmandaat opnemen indien zijn burgerlijke aansprakelijkheid hiertoe is verzekerd met een polis die voorafgaandelijk is goedgekeurd door de Raad van het Instituut.
Evenwel zou niets beletten dat de Raad, binnen het kader van zijn discretionaire beslissingsbevoegdheid om al dan niet een toelating te verlenen op grond van artikel 31, 1° van de Wet van 22 april 1999, ook aan de externe belastingconsulent de toelating zou geven om een mandaat op te nemen in een onderneming die tijdelijke moeilijkheden kent, indien duidelijk blijkt dat die belastingconsulent over de nodige capaciteiten en bekwaamheid beschikt om het specifieke mandaat uit te oefenen. Uitzonderingen zijn steeds mogelijk in het kader van discretionaire bevoegdheden wanneer die uitzonderingen gegrond zijn op deugdelijke motieven (Beslissing Raad IAB 3 november 2003).
De Raad is bovendien van mening dat de externe accountant een dergelijke bestuursopdracht tevens kan vervullen bij eigen cliënteel. Dit gelet op het feit dat hij, steeds met inachtneming van zijn deontologische plicht tot onafhankelijkheid, het best geplaatst is om de situatie in de betrokken vennootschap correct te kunnen inschatten.
De mogelijkheid voor de externe accountant om een bestuursmandaat op te nemen bij eigen cliënteel is het gevolg van een algemene consensus rond de vertrouwensband die er bestaat tussen de accountant en de leden van het bestuursorgaan van een onderneming.
De accountant moet er in voorkomend geval over waken dat zijn onafhankelijkheid op geen enkel ogenblik in het gedrang komt tijdens de uitoefening van deze opdracht. Te dien einde zal hij alle nuttige informatie verstrekken aan de Raad die zijn aanvraag onderzoekt.
In ieder geval moet de accountant nagaan in welke mate het opnemen van een bestuursmandaat schade kan berokkenen aan zijn onafhankelijkheid met het oog op de behoorlijke uitoefening van dit mandaat. Hij moet de nodige aandacht besteden aan het bestaan van eventuele belangenconflicten die zijn onafhankelijkheid kunnen in het gedrang brengen. Indien de accountant vaststelt dat zijn onafhankelijkheid in het gedrang komt, moet hij het bestuursmandaat weigeren.
Preventieve rol van de Raad
De Raad van het IAB zal, binnen het kader van zijn bevoegdheid om een toelating te verlenen tot het uitoefenen van een bestuursmandaat, een belangrijke preventieve rol spelen i.v.m. mogelijke schendingen van bovenvermelde deontologische regels.
Vooreerst zal de Raad nagaan of geen enkel andere minder ingrijpende maatregel dan het opnemen van een mandaat geschikt lijkt om aan de tijdelijke probleemsituatie in de betrokken vennootschap te verhelpen. Die bevoegdheid zal nog scherper worden uitgeoefend wanneer het zou gaan om een bestuursmandaat bij eigen cliënteel. Indien blijkt dat andere maatregelen mogelijk zijn, zal de Raad de toelating weigeren.
Vervolgens zal de Raad, wanneer het gaat om een bestuursmandaat bij eigen cliënteel en geen andere minder ingrijpende maatregel geschikt lijkt, op basis van de hem verstrekte inlichtingen nagaan of de uitoefening van het tijdelijk mandaat met het oog op het verhelpen van tijdelijke problemen al dan niet een schending zou opleveren van vermelde deontologische regels. In het bevestigend geval zal de Raad de toelating weigeren. Inderdaad, de vijf criteria vermeld in de IAB-mededeling waardoor de Raad zich laat leiden bij het nemen van een beslissing betreffende de aanvraag om een taak van bestuurder of zaakvoerder waar te nemen, verhindert de Raad niet om op discretionaire wijze een aanvraag te weigeren om een reden die geen verband houdt met die criteria.
Ten slotte zal de Raad, wanneer hij een toelating verleent, in die toelating aan de betrokkene meedelen dat deze laatste, niettegenstaande de toelating, er steeds over moet waken dat de artikelen 11 en 13, § 1 van het Koninklijk Besluit van 1 maart 1998 tot vaststelling van het reglement van plichtenleer der accountants worden nageleefd.
De algemene vergadering blijft uiteraard het orgaan dat bevoegd is om de externe accountant tot bestuurder te benoemen.
Raad IAB verfijnt voorwaarden inzake bestuursmandaat accountant: de accountant als "voorlopig bewindvoerder" en "bestuurder/zaakvoerder"
Zie bijhorende artikelen:
- Artikel 31 van de Wet van 22 april 1999 (uitzondering op het verbod)
- Artikel 31, 1° van de Wet van 22 april 1999 (toelating op grond van bekwaamheid)
- Artikelen 11 en 13, § 1 van het KB van 1 maart 1998
3. De verplichting van onafhankelijkheid
De externe accountant moet een opdracht weigeren, of ervan afzien de uitvoering van dergelijke opdracht verder te zetten, zodra hij het bestaan vaststelt van invloeden, feiten of banden die zijn onafhankelijkheid, zijn wils- of beoordelingsvrijheid, of zijn onpartijdigheid kunnen aantasten. De Raad ziet erop toe dat de externe accountants en externe belastingconsulenten de aan hen toevertrouwde opdrachten in volle onafhankelijkheid uitoefenen en dat zij geen werkzaamheden uitvoeren die onverenigbaar zijn met de waardigheid en onafhankelijkheid van hun functie.
Opstellen van controleverslagen
De externe accountant die het controleverslag opstelt, mag niet de gewoonlijke raadgever zijn van de vennootschap waarvoor het verslag moet worden opgesteld. De beroepsbeoefenaar mag geen geregelde opdrachten, andere dan controleopdrachten, hebben uitgevoerd in de vennootschap tijdens de twee voorafgaande jaren en mag dat ook niet doen tijdens de twee daarop volgende jaren.
In een vennootschap die erkend werd door het Instituut dient ten minste één externe accountant en/of externe belastingconsulent deel uit te maken van de natuurlijke personen die er aandeelhouder of vennoot van zijn.
Ook dienen bestuurders of zaakvoerders te zijn ingeschreven op de deellijst van de externe accountants en/of op die van de externe belastingconsulenten.
Verder is het een accountant en/of een belastingconsulent niet toegelaten aandeelhouder of vennoot noch zaakvoerder of bestuurder te zijn van een niet erkende vennootschap die zich enkele of alle van de werkzaamheden tot doel stelt die zijn omschreven in de artikelen 34, 38 en 49 van de Wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen. Als algemene regel geldt dat een lid van het Instituut zijn beroep niet mag uitoefenen - ook niet ten dele (bv. als onderaannemer) - door een niet-erkende fiduciaire vennootschap.
Met betrekking tot de vestiging van de zetel van een vennootschap op het adres van een accountant en /of belastingconsulent: de Raad laat dit voortaan toe, maar wijst er wel op dat, als deze vestiging gepaard gaat met het verlenen van diensten aan die vennootschap, uitsluitend diensten mogen worden verleend die verenigbaar zijn met de deontologische plicht van onafhankelijkheid en met de uitoefening van het beroep. De Raad vestigt eveneens de aandacht op de mogelijke gevolgen van een dergelijke vestiging (beslag, huiszoeking, faillissement van de cliëntvennootschap,…).
Zie bijhorende artikelen:
- Art. 9, eerste lid van het KB van 1 maart 1998
- Artikelen 3, 10-15, 28 en 31 van de Wet van 22 april 1999
- Artikelen 34, 38 en 49 van de Wet van 22 april 1999
4. Retentieverbod
Het beroep van accountant en belastingconsulent is gebaseerd op een bijzondere vertrouwensrelatie met de cliënt. Deze laatste moet de garantie hebben dat de documenten die hij aan zijn accountant en/of belastingconsulent toevertrouwt, niet tegen hem worden gebruikt. Een lid van het Instituut moet dan ook alle boeken en bescheiden die toebehoren aan zijn cliënt, onmiddellijk uit handen geven, wanneer deze laatste erom verzoekt.
Het retentieverbod vindt uiteraard ook toepassing in geval van opvolging tussen confraters.
Zie bijhorende artikelen:
- artikel 26 KB van 1 maart 1998
- artikel 23, 2e lid van het KB van 1 maart 1998
5. Verbod van ronseling en dienstaanbod - Verspreiding van objectieve informatie
De verspreiding van objectieve informatie is toegelaten aan de leden van het IAB; ronseling en dienstaanbod blijven daarentegen strikt verboden (art. 30 en 31 van het KB van 1 maart 1998).
De ontwerpnota met een aantal concrete richtlijnen inzake publiciteit voor de economische beroepsbeoefenaars, opgesteld door het Interinstitutencomité (IBR-IAB-BIBF), werd definitief goedgekeurd op 3 februari 2003 door de Raad van het IAB en op 28 februari 2003 door de respectievelijke Raden van het IBR en het BIBF.
Meer informatie: Gedragsregels inzake de verspreiding van publicitaire informatie door de economische beroepsbeoefenaars.
6. Verplichting van permanente vorming
Overeenkomstig de normen vastgelegd door de Raad, moeten de accountants en de belastingconsulenten over een periode van drie jaar 120 uren besteden aan werkzaamheden die bijdragen tot de verbetering van hun vakkennis. Zij brengen jaarlijks verslag uit over hun vorming aan de hand van een formulier dat het Instituut hen bezorgt.
Zie bijhorende artikelen:
- Artikelen 3 en 28, § 1, Wet van 22 april 1999
- Artikel 33 van het KB van 1 maart 1998
7. Informatieplicht
Elk lid van het Instituut waartegen een gerechtelijke, tuchtrechtelijke of bestuursrechtelijke procedure loopt omtrent zijn functie-uitoefening, moet de Raad van het Instituut hiervan in kennis stellen.
De accountants en de belastingconsulenten zijn ertoe gehouden in te gaan op elk verzoek om informatie, op elk uitdrukkelijk bevel en elke uitnodiging die tot hem gericht wordt door de Raad of door één van haar afgevaardigden, en dit binnen de door de Raad gestelde termijn van minstens één maand.
Bovendien moeten de externe leden het Instituut inlichten over de samenwerkingsverbanden die zij in het kader van hun beroepsuitoefening hebben aangegaan. Als de samenwerking in het kader van een vennootschap gebeurt, moeten de accountants en/of belastingconsulenten ervoor zorgen dat deze door het Instituut wordt erkend. De vennootschap dient zo spoedig mogelijk elke statutenwijziging of verandering van de samenstelling van de bestuursorganen mee te delen aan het Instituut.
Zie bijhorende artikelen:
- Artikel 30 van de Wet van 22 april 1999
- Artikel 4 van het KB van 1 maart 1998
- Artikel 20 van het KB van 1 maart 1998
8. Het beroepsgeheim en de beroepsdiscretieplicht
De externe leden van het Instituut zijn, net als de andere boekhoudkundige beroepsbeoefenaars, gehouden aan het beroepsgeheim. Artikel 458 van het Strafwetboek is inderdaad van toepassing op de externe accountants, de externe belastingconsulenten, de erkende boekhouders en de erkende boekhouders-fiscalisten, de stagiairs en de personen voor wie zij instaan.
Meer algemeen is elk lid van het Instituut, ongeacht zijn statuut, ertoe gehouden de beroepsdiscretieplicht te respecteren. Deze discretieplicht omvat de verplichting tot geheimhouding van gegevens die hem uitdrukkelijk of stilzwijgend in zijn hoedanigheid van accountant en/of belastingconsulent werden toevertrouwd en van de feiten met een vertrouwelijk karakter die hij in de uitoefening van zijn beroep heeft vastgesteld.
Zie bijhorende artikelen:
- Artikel 458 van het Strafwetboek
- Artikel 58, lid 3 van de Wet van 22 april 1999
- Artikel 32 van het KB van 1 maart 1998
9. Beroepsgeheim en strijd tegen het witwassen van geld en de financiering van het terrorisme
De externe accountants en belastingconsulenten zijn onderworpen aan de bepalingen van de Wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van het terrorisme. Schematisch voorgesteld:
- identificatie en identiteitscontrole van de cliënten
- constante waakzaamheid, in voorkomend geval, verhoogd
- melding aan de CFI van feiten vastgesteld tijdens de beroepsuitoefening, waarvan de accountant en belastingconsulent weten of vermoeden dat ze verband houden met het witwassen van geld of de financiering van terrorisme...
Dit wettelijk kader wordt momenteel aangepast; er wordt rekening gehouden met de omzetting van de derde antiwitwasrichtlijn in Belgisch recht.
Meer informatie: website van de CFI, antiwitwaswetgeving, Antiwitwaswetgeving – powerpoint
10. Erelonen
De accountant en de belastingconsulent stelt vrij het bedrag van de erelonen vast. Deze vrijheid is echter beperkt tot de deontologische normen en aanbevelingen van de Raad van het Instituut.
11. Opdrachtbrief vs. aanstellingsbrief
De opdrachtbrief bepaalt duidelijk de wederzijdse plichten van de cliënt van de accountant of de belastingconsulent. Het geeft een omschrijving van:
- de werkzaamheden van de accountant of belastingconsulent;
- de termijn;
- de vergoeding (of berekeningswijze van het ereloon).
Bij latere discussies kan de opdrachtbrief steeds worden geraadpleegd. Deze dient dan als een soort overeenkomst tussen twee partijen.
De opdrachtbrief mag niet worden verward met de aanstellingsbrief. Een aanstellingsbrief wordt opgesteld door het bestuursorgaan van de vennootschap die de externe accountant aanduidt. Bij deze brief hoort het bijzondere verslag van het bestuursorgaan en de te controleren staat van activa en passiva.