Begeleiding en toezicht 

Het Instituut ziet erop toe dat zijn leden hun beroep uitoefenen in overeenstemming met:

  • de wettelijke en reglementaire bepalingen;
  • de normen en aanbevelingen van het Instituut;
  • de principes van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid die aan de grondslag liggen van het beroep;
  • het onafhankelijkheidsbeginsel.

De leden zijn verplicht jaarlijks verslag uit te brengen over de wijze waarop zij in het afgelopen jaar hun beroepsvervolmaking hebben georganiseerd.

Het Instituut waakt over de naleving van de ethiek verbonden aan het beroep.

Praktische organisatie

Het toezicht wordt uitgeoefend door de Raad en hij kan daartoe:

  • van de leden de voorlegging eisen van elke informatie, van elke verantwoording en van elk stuk, en meer in het bijzonder van hun werkschema’s en nota’s.
  • bij de leden een onderzoek instellen naar:
    • hun werkmethodes en hun organisatie;
    • de zorg waarmee en de wijze waarop zij hun opdracht uitvoeren.

Leden die het Instituut in de toezichtsfunctie verhinderen, kunnen door de Raad naar de Tuchtcommissie worden verwezen. De Tuchtcommissie kan het betrokken lid sanctioneren.

Met het oog op de praktische organisatie van het wettelijk toezicht heeft de Raad een Commissie van begeleiding en toezicht opgericht, die in het bijzonder toeziet op de bijzondere controleverslagen opgesteld in het kader van het Wetboek van Vennootschappen.