Bedrijfswagens: FAQ

26/10/2012 - IAB

Wij bestudeerden de verschillende Frequently Asked Questions die de FOD Financiën onlangs publiceerde in verband met de voordelen van alle aard die voortvloeien uit bedrijfswagens. Sommige antwoorden zijn van secundair belang. Andere daarentegen zijn zeer relevant omdat ze misverstanden uit de weg ruimen en tekortkomingen verbeteren. Wij vonden het dan ook nuttig om de aandacht te vestigen op bepaalde antwoorden.

De administratie wijst er vooreerst op dat het bedrag van het belastbare voordeel van alle aard betrekking heeft op een volledig jaar, zodat in geval van een beperkte terbeschikkingstelling gedurende een gedeelte van het belastbare tijdperk het bedrag ervan pro rata temporis moet worden verminderd (en dit op basis van het aantal kalenderdagen).

Wanneer de werknemer zijn firmawagen echter niet kon gebruiken, bijvoorbeeld wegens een reis naar het buitenland of een tijdelijke ziekte, geeft dat geen aanleiding tot enige vermindering van het voordeel. Wanneer de werknemer of de bedrijfsleider tijdelijk zijn firmawagen niet heeft kunnen gebruiken ingevolge een onderhoud of herstelling in de garage, heeft dat ook geen enkele invloed heeft op de berekening van het voordeel van alle aard.

En wanneer de werknemer de bedrijfswagen van zijn werkgever niet voor eigenlijke privéverplaatsingen tijdens de weekends, vakanties of vrije tijd, of om zijn persoonlijke boodschappen te doen, enz. mag gebruiken, geeft dat ook al geen aanleiding tot enige vermindering van het voordeel van alle aard, als hij het voertuig mag gebruiken voor zijn woon-werkverplaatsingen.

De administratie trekt zich ook het lot aan van de kaderleden die in verschillende landen werken: het belastbar voordeel van alle aard kan worden verdeeld volgens de salary split. Maar wanneer het voertuig uitsluitend in België wordt gebruikt (en dus niet in het buitenland) kan de verdeling volgens de salary split niet worden toegepast. Wanneer een werkgever zowel een bedrijfswagen als een tankkaart ter beschikking stelt, wordt het voordeel van alle aard niet verhoogd. Wanneer de werknemer daarentegen zelf alle brandstofkosten moet betalen, brengt zijn persoonlijke tussenkomst geen vermindering van het bedrag van het voordeel teweeg.

Het is u bekend dat de cataloguswaarde (die voortaan als referentie dient voor de bepaling van het voordeel) daalt naargelang het aantal maanden dat verstreken is sinds de eerste inschrijving van het betrokken voertuig. Moet in dat verband rekening worden gehouden met een eerste inschrijving van het voertuig in het buitenland of is de eerste inschrijving bij de Directie voor de Inschrijving van de Voertuigen (DIV) doorslaggevend? De administratie neemt aan dat rekening mag worden gehouden met een eerste inschrijving van dat voertuig in het buitenland.

Het begrip “cataloguswaarde” zelf stelt ook een probleem. Volgens de fiscus moet men steeds rekening houden met de Belgische catalogusprijs van het betreffende voertuig en dit ongeacht dit voertuig in België of in het buitenland is aangekocht. Maar wanneer het betreffende voertuig niet op de Belgische markt wordt verkocht, moet men rekening houden met de buitenlandse catalogusprijs.

Voor de vaststelling van de cataloguswaarde moet rekening worden gehouden met de opties en de werkelijk betaalde btw, maar niet met de toegestane kortingen, verminderingen, rabatten of restorno’s. Concreet betekent dit dat, wanneer de catalogusprijs van het voertuig 30 000 EUR exclusief btw bedraagt en naar aanleiding van een speciale actie een gratis optiepakket ter waarde van 3 000 EUR exclusief btw wordt toegekend, de werkelijk betaalde btw 6 300 EUR bedraagt (namelijk 21 % btw op de catalogusprijs van 30 000 EUR).

De cataloguswaarde bedraagt dus 39 300 EUR (zijnde de catalogusprijs van 30 000 EUR + de werkelijk betaalde btw van 6 300 EUR + het gratis optiepakket ter waarde van 3 000 EUR).

Wanneer daarentegen ditzelfde optiepakket niet gratis maar tegen een verminderde prijs van 2 000 EUR exclusief btw wordt toegekend, bedraagt de werkelijk betaalde btw 6 720 EUR (namelijk 21 % btw op de som van de catalogusprijs van 30 000 EUR en het optiepakket aangekocht tegen 2 000 EUR). In dat geval besluit de fiscus daaruit dat de cataloguswaarde hier 39 720 EUR bedraagt (zijnde de catalogusprijs van 30 000 EUR + de werkelijk betaalde btw van 6 720 EUR + het optiepakket ter waarde van 3 000 EUR).

Thema's: Fiscaliteit > Personenbelasting (PB)
Kernwoord(en):