Kan men ontsnappen aan het nieuwe voordeel van alle aard voor onroerende goederen?

28/01/2013 - Pierre-François Coppens – Studiedienst

De bedrijfsleider van een vennootschap die een onroerend goed aangeschaft heeft, moet het voordeel van alle aard aangeven voor het gedeelte van het gebouw dat hij voor privédoeleinden gebruikt. Het bedrag van dit voordeel van alle aard wordt als volgt berekend:

Kadastraal inkomen x 1,6349 (indexeringscoëfficiënt 2012) x 3,8 (nieuwe coëfficiënt sinds 1/1/2012) x 100/60 (coëfficiënt van toepassing op de huizen met een KI van meer dan EUR 745) x 5/3 (gemeubileerde woning).

Dit forfaitair voordeel, dat vanaf 2012 bijna werd verdubbeld, moet worden vermeld op de fiscale fiche van de verkrijger (fiche 281.20 voor bedrijfsleiders) om te ontsnappen aan de bijzondere aanslag van 309%. Het komt echter wel eens voor dat dit nieuwe forfait belangrijk hoger uitvalt dan de reële huurwaarde van het gebouw. De fiscus weigert echter om de marktwaarde van de huur in plaats van dit forfaitair berekend voordeel te aanvaarden.

Wij zijn van mening dat dit standpunt van de Administratie uitermate betwistbaar is en dat een andere interpretatie dient te worden gehanteerd. Indien de marktprijs van de huur door een vastgoedexpert werd vastgesteld en een huurovereenkomst werd geregistreerd, kan er immers geen sprake zijn van een voordeel gezien de marktconforme huur die door de zaakvoerder wordt betaald.

Artikel 18 KB/WIB 92 behoort tot de afdeling met als titel “Forfaitaire raming van anders dan in geld verkregen voordelen van alle aard”. Welnu, in de hypothese waarin de zaakvoerder een marktconforme huur betaalt aan de vennootschap, dan is er geen sprake van een gratis terbeschikkingstelling of enig bekomen voordeel van alle aard. Bij afwezigheid van een anders dan in geld verkregen voordeel kan er dan ook geen sprake zijn van een forfaitaire raming.

Laat ons eerlijk zijn: ons standpunt blijft haaks staan op het absolute “njet” van de Administratie (zie ook het antwoord op de parlementaire vraag nr. 319 van 6/4/2102). Maar we zijn er van overtuigd dat dit daarom nog lang niet einde verhaal is. Wij vertrouwen er op dat de rechtspraak deze verbazend hardnekkige aanpak zal weten om te buigen.

De Administratie blijft er op hameren dat een verrichting slechts fiscaal aanvaardbaar is als ze beantwoordt aan economische behoeften. In casu zou de economische realiteit dus rechtvaardigen dat men zich op een marktconforme huurwaarde baseert, wat de fiscus systematisch weigert.

Bovendien merken we op dat de Dienst voorafgaande beslissingen, in een advies daterend van 2007 over de toepassing van artikel 344, § 1, van het WIB op de vruchtgebruikconstructies, uitdrukkelijk als voorwaarde voor de niet-herkwalificatie bepaalde dat “voor het gedeelte (van het onroerend goed) dat niet voor het eigenlijke gebruik van de onderneming wordt aangewend, een marktconforme huur dient betaald te worden op basis van een geregistreerde huurovereenkomst. Bijvoorbeeld een kosteloze terbeschikkingstelling aan de bedrijfsleider of een huur op basis van de forfaitaire bedragen vermeld in artikel 18 KB/WIB 92 voldoen niet aan deze voorwaarde”. We merken nog op dat men bij herkwalificatie van een huur in beroepsinkomen de werkelijke huurprijs als referentie neemt.

Die voorbeelden tonen aan dat er een zekere paradox ontstaat doordat de administratie zich in dit geval louter aan een forfait blijft vastklampen terwijl, in andere omstandigheden, de werkelijke huurprijs wel in acht genomen wordt. Er is dus duidelijk sprake van tegenstrijdigheid.

Thema's: Fiscaliteit > Personenbelasting (PB)
Kernwoord(en):