Aangifte van levensverzekeringen: een nieuwe papieren tijger?

11/03/2013 - Pierre-François Coppens – Studiedienst

1. Draagwijdte van de aangifteplicht

De programmawet van 27 december 2012 voegt een nieuw lid toe aan artikel 307 § 1 WIB 1992. Na de verplichting tot vermelding van de buitenlandse bankrekeningen, moet de belastingplichtige nu ook het bestaan van in het buitenland afgesloten individuele levensverzekeringsovereenkomsten in zijn belastingaangifte vermelden (de verplichting om in België afgesloten levensverzekeringscontracten aan te geven, bestond al). De beoogde overeenkomsten zijn alle levensverzekeringsovereenkomsten die verzekeringen zijn waarbij het plaatsvinden van de verzekerde gebeurtenis enkel afhangt van de levensduur van de mens (zoals de producten van tak 21, 22 of 23). De regering wenst daarmee een vluchtweg te sluiten voor vermogens die verborgen willen blijven via constructies met buitenlandse levensverzekeringen.1  Voor de bezitters van grote kapitalen die niet tot transparantie bereid zijn, sluit het net zich weer een beetje meer. Deze verplichting geldt niet met terugwerkende kracht, verklaarde de minister van Financiën, in antwoord op verschillende interpellaties van parlementsleden, in het Verslag van de Kamercommissie Financiën: "De verplichting tot aangifte zal pas voor de toekomst gelden, vanaf de inwerkingtreding van de maatregel (aangifte 2013)".

Wat de draagwijdte van de verplichting tot aangifte betreft, meldde de minister nog dat "de belastingplichtige, net zoals het nu gebeurt voor de aangifte van de bankrekeningen die in het buitenland worden aangehouden, enkel zal moeten antwoorden met ja of neen en, in voorkomend geval, het land of de landen vermelden waar de levensverzekeringsovereenkomst(en) werden afgesloten". Ten slotte sprak de minister zich uit over de heikele kwestie van de invoering van een kadaster van de door de belastingplichtigen afgesloten levensverzekeringen. "De regering heeft geen plannen om een gegevensbank voor levensverzekeringen op te zetten, zoals men gedaan heeft voor de bankrekeningen. Die discussie werd in de commissie al gevoerd bij de bespreking van de opheffing van het bankgeheim en toen werd geconcludeerd dat de problemen niet vergelijkbaar waren aangezien er geen verzekeringsgeheim bestaat zoals er een bankgeheim bestaat. De fiscale administratie heeft dan ook het recht om alle inlichtingen op te vragen die zij nuttig acht bij de verzekeringsmaatschappijen die geen vorm van geheimhouding kunnen opwerpen". Zoals de advocaten André Bailleux en Frédéric Janssen2  terecht opmerkten, gaat men daarbij wel iets te snel voorbij aan het feit dat er de facto een geheim geldt met betrekking tot de buitenlandse verzekeringen, aangezien de Belgische fiscale administratie niet bevoegd is om inlichtingen te vragen aan in het buitenland gevestigde maatschappijen.

2. Bij gebrek aan sanctionering is de tekst niet werkbaar

Wat meteen opvalt bij de analyse van deze nieuwe bepaling, is de afwezigheid van specifieke sancties bij gebrek aan aangifte van het bestaan van buitenlandse levensverzekeringscontracten. De aanslagtermijn van drie jaar zal niet worden verlengd tot zeven jaar. Wij wijzen erop dat de rechtspraak al herhaaldelijk besliste dat het enkele feit dat buitenlandse bankrekeningen niet werden vermeld, niet volstond om de aanslagtermijn te verlengen.

Het Hof van Cassatie besliste aldus : "Luidens artikel 354, eerste lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, mag de belasting of de aanvullende belasting bij niet-aangifte, bij laattijdige overlegging van aangifte, of wanneer de verschuldigde belasting hoger is dan de belasting met betrekking tot de belastbare inkomsten en de andere gegevens vermeld in de daartoe bestemde rubrieken van een aangifteformulier dat voldoet aan de vorm- en termijnvereisten, gesteld bij de artikelen 307 tot 311 van dat wetboek, in afwijking van artikel 359, worden gevestigd gedurende drie jaar vanaf 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd waarvoor de belasting is verschuldigd. Niet-aangifte, in de zin van die bepaling, is het volslagen gebrek aan overlegging van het voor het betrokken aanslagjaar voorgeschreven aangifteformulier of de overlegging van een formulier dat niet de essentiële bestanddelen van de aangifte bevat.

De vermelding 'nihil', die de belastingplichtige volgens het koninklijk besluit van 6 maart 2002 tot vastlegging van het model van deel 1 van het aangifteformulier inzake personenbelasting voor het aanslagjaar 2002, bij gebrek aan een rekening in het buitenland moet aanbrengen in de rubriek die bestemd is voor de aangifte van het bestaan van dergelijke rekeningen, vormt geen essentieel bestanddeel van de aangifte, waarvan de niet-vermelding de toepassing van de voormelde bepaling zou verantwoorden"3. De reactie op deze uitspraak bleef niet lang uit. Sindsdien verplicht een fiscale bepaling ons immers om, naast het bestaan van bankrekeningen in het buitenland, het (de) nummer(s) van deze buitenlandse rekening(en) op het aangifteformulier te vermelden. Deze maatregel gold al voor de belastingaangifte van het aanslagjaar 2012 (inkomsten 2011).

Mogen wij er ons bijgevolg aan verwachten dat de wetgever een nieuwe reparatiewet in gedachten heeft, met name om een specifieke verplichting in te voeren tot vermelding van de precieze gegevens van de buitenlandse levensverzekeringscontracten ?

De niet-naleving van de regel geeft trouwens niet ambtshalve aanleiding tot strafrechtelijke sancties. Daartoe is bedrieglijk inzicht of het oogmerk om te schaden vereist, dat, zoals algemeen geweten, niet kan vermoed worden. Het bewijs van dit bedrieglijk inzicht zal zeer vaak afhangen van andere gedragingen (zoals eerdere ontduiking van aanzienlijke belastbare inkomsten) die de fiscus zal moeten aantonen en die hem in staat zullen stellen te beweren dat het verzwijgen van het bestaan van een buitenlands levensverzekeringscontract enkel kan verklaard worden omdat de ingelegde bedragen of de betaalde premies afkomstig zijn van ontdoken winsten.

Wat is, zonder enige sanctionering, dan het nut van deze nieuwe verplichting ? Volgens de minister "is het echt belangrijk te zorgen voor de aangifteverplichting in de belastingaangifte, waardoor de belastingplichtige verplicht is te antwoorden. Psychologisch gezien is de weerslag daarvan groot: het is de bedoeling duidelijk met "ja" of "neen" te antwoorden op de vraag over de levensverzekeringen. Op zich is dat al een instrument dat de positie van de belastingdiensten ten opzichte van de belastingplichtige verbetert, en die diensten zullen alle middelen waarover zij beschikken, mogen aanwenden om de juistheid van de verklaring na te gaan"4 .

Het is uiteraard de vraag of de psychologische dimensie van de maatregel zal volstaan om de fraudeurs er echt van te weerhouden de gestelde vraag ontkennend te beantwoorden. Een dergelijke maatregel, die niet gepaard gaat met een echte sanctie, getuigt van incoherentie en heeft veel weg van een papieren tijger, net zoals dat voor andere soortgelijke bepalingen geldt (zoals bv. artikel 344, § 1, oud).

 

--------------------

 1. Deze verplichting ligt in het verlengde van een door dhr. Gilkinet (Ecolo) mede-ondertekend "wetsvoorstel tot invoering van een register van de spaarverzekeringsovereenkomsten en tot vergemakkelijking van de inning van de roerende voorheffing op de spaarverzekeringsovereenkomsten die werden gesloten met in het buitenland gevestigde bankinstellingen" (Doc 53/1331).
 2. In hun kroniek in de Libre Belgique van zaterdag 12 januari 2013.
 3. Cass., 18 december 2009.
 4. Verslag nr. 53-2561/006, p. 35.

Thema's: Fiscaliteit > Personenbelasting (PB)
Kernwoord(en):