Kennis en gebruik van de notionele interest door kmo’s: verschillende conclusies

28/08/2009 - Roger Lassaux

Hoewel de notionele interesten, bedoeld in de artikelen 205bis tot 205novies WIB 92 al veel inkt deden vloeien en vaak in twijfel werden getrokken door de kostprijs en bepaalde aanwendingen ervan, treden er nu slechts in een aantal specifieke gevallen nog problemen op bij de toepassing. Het stelsel werd door de Administratie onder de loep genomen in de omvangrijke circulaire nr. Ci.RH.840/592.613 (AOIF 14/2008) van 3 april 2008 en het addendum van 2 juni 2008 en wordt regelmatig aangevuld aan de hand van de parlementaire vragen (zie onder meer de problematiek van de dubbele belastingaftrek, V.A., Kamer, 2008-09 nr. 46 van 20 januari 2009, p. 23-26 – vraag nr. 29 van 14 januari 2009, Dirk Van der Maelen), en de rulings (zie bijvoorbeeld beslissing nr. 700.063 van 8 mei 2007 betreffende de vaststelling van de belastbare grondslag voor de aftrek voor risicokapitaal). Dit voordeel kan worden aangewend door alle Belgische vennootschappen, klein of groot, evenals door buitenlandse vennootschappen die in België zijn gevestigd en waarvan de jaarrekening wordt onderworpen aan de Belgische vennootschapsbelasting; evenals de kmo’s, die moeten beantwoorden aan de criteria van artikel 15, § 1, lid 3, W. Venn.; zij moeten kiezen tussen de aftrek voor risicokapitaal en de aanleg van een vrijgestelde investeringsreserve. Indien de vennootschappen opteren voor de notionele interesten, genieten zij een aftrekpercentage dat 0,5 % hoger ligt: 4,973 % in plaats van 4,473 % voor andere vennootschappen, gedurende het aanslagjaar 2010.

Moet dit optimisme voor de vennootschappen, en in het bijzonder voor de kmo’s, worden genuanceerd? Dat zou men a priori wel kunnen vermoeden: de enquête van het KeFiK in 2008 over de financiering van kmo’s toonde aan dat slechts 56 % van de ondervraagde kmo’s “over een goede kennis beschikte” van deze fiscale gunstmaatregel en dat eenzelfde percentage er gebruik van maakte. De vraag die velen bezighoudt is uiteraard om welke reden een vennootschap beslist al dan niet gebruik te maken van de notionele interestaftrek. Bestaat er een stabiel verband tussen (bepaalde) individuele variabelen en het feit dat een vennootschap wel of (nog) geen gebruik maakt van dit fiscaal voordeel? Wat met het overblijvende potentieel?

Om hierop een antwoord te vinden en de zaken uit te klaren, evalueerde de Hogeschool-Universiteit Brussel (HUBrussel) het gebruik en de kennis van de kmo’s over de notionele interestaftrek, op verzoek van het Kenniscentrum voor Financiering van kmo (KeFiK).

  • Gebruik van de notionele interesten: identificatie van algemene variabelen (zoals de geografische ligging) en/of eigenschappen van de onderneming die de keuze kunnen beïnvloeden;
  • Graad van de “goede kennis” van dit voordeel, meet de invloed van een aantal algemene variabelen die verband houden met informatie die mogelijk de kennis over de notionele interestaftrek bij kmo’s beïnvloedt. Met andere woorden, zijn ondernemingen over het algemeen voldoende geïnformeerd? Zo nee, is dit gebrek aan informatie van toepassing op bepaalde groepen of soorten ondernemingen, die dan best bijkomende informatie ontvangen?

Wat blijkt uit deze enquête die wij uitgebreid voor u doornamen?

De kennis van deze conclusies is erg belangrijk in het kader van de taak die wij hebben om cliënt-vennootschappen te adviseren en daarbij dit fiscaal voordeel toe te passen. Enerzijds, omdat de keuze die de kmo’s moeten maken tussen dit fiscaal voordeel en de vrijgestelde investeringsreserve (art. 194quater WIB 92) met kennis van zaken moet gebeuren. Een cumul is namelijk verboden voor hetzelfde belastbaar tijdperk en de twee daarop volgende belastbare tijdperken (cf. artikel 205novies WIB 92). Anderzijds is het onweerlegbaar dat de aantrekkingskracht van de maatregel toeneemt naarmate men meer kennis heeft over het bestaan van praktische tools, zoals de KeFiK-simulator, die erg nuttig zijn in het kader van de inwerkingtreding. Het is belangrijk dat problemen worden opgespoord om hiervoor een passende oplossing te vinden.

Om die reden zullen wij deze conclusies in verband brengen met de resultaten van een andere enquête “Impact van de notionele interestaftrek: visie van boekhouders en accountants”, die wij reeds op deze website bespraken vanuit de hypothese dat een goede toepassing van deze maatregel voornamelijk een goede kennis ervan vereist.

A. Kennis

  • De kans dat een onderneming gebruik maakt van de notionele interestaftrek is 17 maal hoger indien zij zelf aangeeft goed op de hoogte te zijn, dan wanneer zij dit niet kent. De boekhouders en accountants zijn zelf goed op de hoogte van de notionele interestaftrek, maar ondernemingen zijn minder op de hoogte van deze maatregel (cf. Impact van de notionele interestaftrek: visie van boekhouders en accountants, Sarah Van Cauwenbergh, 2008). Uit deze enquête blijkt dat slechts 13 % van de ondervraagde accountants en belastingconsulenten de KeFiK-simulator kennen.
  • Ondernemingen die een slechte kennis hebben van de investeringsreserve, hebben ook een beduidend minder goede kennis van de notionele interestaftrek.
  • Noch de geografische ligging, noch andere kenmerken (leeftijd onderneming, familiebedrijf of vennootschapsvorm) hebben een significante invloed op de kennisgraad van de notionele interestaftrek. Ondernemingen die in het Waalse en Brusselse gewest zijn gevestigd hebben een iets minder goede kennis van de notionele interestaftrek, maar deze verschillen zijn te beperkt en kunnen dus niet als structureel worden geclassificeerd.
  • Ondernemingen waarvan de jaarrekening niet gecontroleerd wordt door een bedrijfsrevisor of ondernemingen met een slechte kennis van de investeringsreserve en/of andere overheidsmaatregelen vertonen systematisch een minder goede kennis van de notionele interestaftrek.

B. Gebruik

  • De keuze om gebruik te maken van de notionele interestaftrek wordt niet beïnvloed door het feit of het fiscaal voordeel onmiddellijk dan wel in de toekomst kan worden gerealiseerd.
  • Ondernemingen die een goede kennis hebben van de notionele interestaftrek maken duidelijk meer gebruik van deze fiscale gunstmaatregel. Het maakt in deze context niet uit of het gaat om een al dan niet geauditeerde onderneming: de kennis van de notionele interestaftrek is dus onafhankelijk van de fiscale informatie verschaft door de auditor.
  • De aanwending van de notionele interestaftrek houdt voornamelijk verband met het relatief voordeel ervan (zoals gemeten door het gecorrigeerde eigen vermogen) en de kennis over deze maatregel. De graad van het gecorrigeerde eigen vermogen is hoger dan die van ondernemingen die geen gebruik maken van de maatregel: 6 268 408 EUR tegenover 4 470 611 EUR, in het andere geval.
  • Hoewel kmo’s in het Waalse gewest minder gebruik maken van de notionele interestaftrek dan ondernemingen uit het Vlaamse of Brusselse gewest, is dit resultaat statistisch gezien niet significant: het gewest waar de onderneming is gevestigd heeft geen significante invloed op het al dan niet gebruik van de notionele interestaftrek.
  • Het gebruik van de notionele interestaftrek wordt niet significant beïnvloed door de andere geanalyseerde variabelen: “leeftijd onderneming”, “familiebedrijf”, “vennootschapsvorm” en “sector”.
  • Uit de lijst met de bestudeerde secundaire variabelen blijkt echter dat de leeftijdsklasse toch belangrijk is. In de groep van oudere ondernemingen, zijn er meer ondernemingen die wel gebruik maken van de notionele interestaftrek dan ondernemingen die er geen gebruik van maken. Wat betreft de invloed van de rechtsvorm, is het niet van belang of de ondernemingen familiaal zijn of niet, maar wel tussen nv’s en bvba’s. 67 % van de bvba’s maakt gebruik van de notionele interestaftrek (tegenover 44 % van de nv’s). Op sectorieel vlak blijkt dat groothandelaren en transporteurs vaker gebruik maken van deze gunstmaatregel dan ondernemingen uit de horeca-sector.
  • 75 % van de geauditeerde ondernemingen maakt gebruik van de notionele interestaftrek.

Besluit

Welke concrete besluiten kunnen we afleiden met betrekking tot ons advies en de modaliteiten om dit te verbeteren?

  • Uit de conclusies van de studie blijkt dat “enkel het relatief voordeel bij aanwending van de notionele interestaftrek (zoals gemeten door het gecorrigeerde eigen vermogen) en een afdoende kennis van de notionele interestaftrek bepalend zijn. Er zijn geen structurele verschillen in het gebruik van de notionele interestaftrek naargelang de geografische ligging en/of de sector waartoe de onderneming deel van uitmaakt. Er zijn ook geen verschillen m.b.t. de leeftijd of het type van onderneming, noch m.b.t. het feit of de jaarrekening van de onderneming al dan niet gecontroleerd wordt door een bedrijfsrevisor en/of de onderneming belastingen verschuldigd is op het resultaat van het boekjaar 2007. Er zijn geen systematische verschillen in kennis van de notionele interestaftrek tussen ondernemingen uit verschillende sectoren, gewesten, leeftijdsklassen, vennootschapsvormen en/of familiale aandeelhouderschap. De multivariate analyse toont echter wel aan dat ondernemingen waarvan de jaarrekening niet gecontroleerd wordt door een bedrijfsrevisor en/of ondernemingen met een slechte kennis van de investeringsreserve en/of andere overheidsmaatregelen minder goed op de hoogte zijn van de notionele interestaftrek”.
  • Ingeval van gebrekkige kennis, is deze algemeen: notionele interesten, investeringsreserve, andere overheidsmaatregelen zoals de leningen van het Participatiefonds, Arkimedes (startkapitaal); subsidies; garanties van de overheid; het Vlaams innovatiefonds en de Winwinlening.
  • Het lijkt zinvol om de KeFiK-simulator, die een eenvoudig hulpmiddel kan vormen bij de berekening van de aftrek (ook als het boekjaar over 2 jaren loopt), onder de aandacht te brengen.
  • Kmo’s moeten een keuze maken tussen de investeringsreserve en de notionele interestaftrek, en moeten daarbij rekening houden met het feit dat de eerste mogelijkheid  de verplichting tot herinvestering met zich brengt. Indien een kmo opteert voor de investeringsreserve, kan geen notionele interestaftrek worden genoten gedurende dat belastbaar tijdperk, alsmede voor de twee daaropvolgende tijdperken.

Deze studie van de notionele interesten kan niet worden afgesloten zonder een vergelijking te maken met de buurlanden. In de strijd om de belastingtarieven van de vennootschapsbelasting te verlagen en buitenlandse investeerders aan te trekken uit de verschillende lidstaten – uiteraard met inachtneming van de Europese wetgeving – moeten we wel rekening houden met de publicatie van een Nederlandse Richtlijn die op 1 januari 2010 van kracht gaat om de belasting op groepsrenten te verlagen (groepsrentebox). Op 8 juli 2009 werd deze richtlijn goedgekeurd door de Europese Commissie. Het wordt niet beschouwd als overheidssteun, aangezien de regeling wordt toegepast voor alle ondernemingen die rente ontvangen van verbonden groepslichamen. De voorgestelde maatregel houdt een belastingvermindering in voor de in het kader van financiering binnen een groep ontvangen rente: in plaats van de reguliere vennootschapsbelasting van 25,5 %, wordt het tarief 5 %. Het saldo van de ontvangen en betaalde rente ter zake van groepsleningen wordt effectief belast tegen een verlaagd tarief van 5 %. Deze regeling zou worden toegepast op elke entiteit die is onderworpen aan de vennootschapsbelasting in Nederland.

Thema's: Fiscaliteit > Vennootschapsbelasting (VenB)
Kernwoord(en):