Before and after 

Geachte confraters,

De voorbije maanden besteedden wij heel wat aandacht aan een aantal “gevoelige” dossiers, die op dat moment nog in ontwerpfase waren. Ik heb het hier uiteraard over de interne pensioenvoorzieningen en de bijzondere aanslag op geheime commissielonen, twee dossiers waarin wij evenwichtige voorstellen uitbrachten.

Ondertussen zijn weer een aantal maanden verstreken en werd de traditionele “zomerprogrammawet” gepubliceerd. Het moment is dus aangebroken om een nieuwe stand van zaken op te maken. Zeker nu ondertussen de nieuwe antirechtsmisbruikbepaling werd gepubliceerd, waarop we later uitgebreid zullen terugkomen. Niettegenstaande er een belangrijke circulaire aan werd gewijd, blijft die bepaling aanleiding geven tot heel wat dubbelzinnigheid. Het zal dus nodig zijn dat iedere betrokkene op zijn minst het beginsel en de werkingsmodaliteiten ervan behoorlijk bevat. We zien immers dat in de pers geregeld “straffe” uitspraken worden gedaan als zou het onderzoeksgebied zo ruim zijn dat verrichtingen, zoals de splitsing van het eigendomsrecht, het in vennootschap brengen, en dan vooral de managementvennootschappen, en de successieplanning in twijfel worden getrokken.

Het spreekt voor zich dat we in het beperkt kader van dit editoriaal deze kwesties niet uitgebreid kunnen behandelen. We vermelden enkel de essentiële punten, waarbij we erop wijzen in welke mate de acties van het Instituut resultaten opleverden.

Interne pensioenvoorzieningen

De tekst van de artikelen 117 en verder van de Programmawet, zijnde de omzetting in wetsbepalingen van het regeerakkoord, leren ons dat rekening werd gehouden met onze voorstellen om voor de bestaande onderhandse pensioentoezeggingen een overgangsregeling in te voeren. Het komt erop neer dat de interne financiering van de voorzieningen enkel toegestaan blijft voor voorzieningen die al gevormd waren op het einde van het laatste boekjaar dat afgesloten is vóór 1 januari 2012. Vennootschappen die destijds opteerden voor een onderhandse pensioentoezegging zullen een eenmalige bijzondere belasting moeten betalen van 1,75 % op de eind 2011 geboekte voorziening, ongeacht of de voorziening al dan niet werd “geëxternaliseerd”. Die belasting, die samen met de vennootschapsbelasting van aanslagjaar 2013 zal worden gevestigd, zal evenwel, per schijf van 0,60 %, over drie jaar kunnen worden gekweten.

Aanslag van 309 % en VAA

In verband met de nieuwe regeling van de VAA en de gevolgen ervan voor de toepassing van een potentiële bijzondere aanslag van 309 % op geheime commissielonen, willen we er enkel op wijzen dat, op het moment dat u dit artikel leest, het al 3 juli 2012 is. De overgangsperiode voor spontane regularisatie, die wij hebben kunnen bekomen, en waarbij bepaald werd dat het voordeel tegen 30 juni 2012 spontaan bij PB-controle moest worden aangegeven, is dus verstreken. Buiten de administratieve toleranties die specifiek worden opgesomd in het addendum aan de administratieve circulaire van 1 december 2010 (de goede trouw van de belastingplichtige die de tekortkoming of de vergissing zou hebben begaan, het uitzonderlijk karakter van de niet-aangifte, het relatief belang van de tekortkoming van de belastingplichtige ten opzichte van de naleving van zijn andere fiscale verplichtingen, enz.), zal, na 1 juli 2012, de afzonderlijke aanslag niet meer kunnen worden vermeden, wanneer geen fiscale fiche werd opgemaakt…

Niettemin zullen wij onze inspanningen voortzetten om een verlichting van deze maatregel te bekomen.

Fiscaal misbruik

Aandacht en zelfs omzichtigheid zijn uiteraard geboden in verband met het nieuwe artikel 344 WIB 92. Dat het enige ongerustheid heeft doen ontstaan, is goed te begrijpen. In de memorie van toelichting staat immers te lezen dat de nieuwe maatregel “zowel de verrichtingen die gesteld worden in het kader van het beheer van het privévermogen als de verrichtingen die gesteld worden in de economische sfeer” beoogt. Nogmaals, en in de veronderstelling dat zulks mogelijk zou zijn, zelfs op zicht van circulaire Ci.RH.81/616.207 van 4 mei 2012, wij zijn niet voornemens om een volledige lijst op te stellen van “wat toegestaan is en van wat niet meer toegestaan is” vanaf aanslagjaar 2013. Wat, onzes inziens, vandaag wel essentieel is om een stand van zaken op te maken, is de debatten te objectiveren en, door artikel 344 op deze beginselen te baseren, de toepassingsvoorwaarden ervan, in het beperkt kader van dit editoriaal, op een rij te zetten.

De eerste noodzakelijke stap om de zaken in perspectief te plaatsen met betrekking tot het “weer aan de orde stellen” van het beginsel van de wettelijke keuze van de minst belaste weg, is hoe het onderscheid te maken tussen het oude artikel 344 en de nieuwe antimisbruikbepaling met betrekking tot het “weer aan de orde stellen” van het beginsel van de wettelijke keuze van de minst belaste weg.

In de oude versie betrof het de herkwalificatie van een akte of een geheel van akten. Een vaak onmogelijke opdracht, aangezien men aan eenzelfde verrichting een andere kwalificatie moest geven die gelijksoortige rechtsgevolgen had als de oorspronkelijke rechtshandeling. In de nieuwe versie is het strikt genomen de niet-tegenstelbaarheid waarvan sprake is. Het is dus niet meer de kwalificatie van de akte die aan de administratie niet kan worden tegengeworpen, maar de akte zelf. Eenvoudig uitgedrukt, zal de administratie doen alsof de akte niet bestond, wanneer zij, door vermoedens of andere in artikel 340 vermelde bewijsmiddelen aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik. De bewijslast rust op de administratie. Vandaar de essentiële vraag: wat is fiscaal misbruik?

Nog steeds volgens de tekst van het nieuwe artikel 344, zijn er twee gevallen mogelijk. Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige middels de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt waarbij: 1) “hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van dit Wetboek of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst”, 2) “hij aanspraak maakt op een belastingvoordeel voorzien door een bepaling van dit Wetboek of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft”. Volgens de minister van Financiën moet de strijdigheid met de doelstellingen van de fiscale wetgeving begrepen worden in het licht van het begrip “volstrekt kunstmatige constructie”. Gesteld dat het bewijs wordt geleverd dat de akte beantwoordt aan de 1° of 2° van § 1 van artikel 334 WIB 92, dan moet de belastingplichtige bewijzen dat de keuze voor deze akte wordt verantwoord door ernstige en geloofwaardige niet-fiscale motieven, in welk geval de antimisbruikbepaling niet van toepassing is. Zo niet wordt de fiscale toestand verbeterd, “alsof het misbruik niet had plaatsgevonden”. Dat is de essentie. Maar aangezien de gestelde akte aldus ook als strijdig met de geest van een belastingwet zou kunnen worden beschouwd en, op grond daarvan, door de administratie als niet-tegenstelbaar worden aangemerkt, zal de praktische toepassing van de nieuwe maatregel uiteraard niet zonder strubbelingen verlopen. Het is dan ook gepast om dit eerste overzicht af te sluiten met een oproep tot voorzichtigheid. We kunnen u wel verzekeren dat we er op doelgerichte wijze op zullen terugkomen, zodra er een probleem rijst dat onze aandacht opeist.

Maar we laten het niet aan ons hart komen, het laatste nieuws van het fiscaal front mag u er niet van weerhouden om van een welverdiende vakantie te genieten die ik u van harte toewens. We spreken nu al af voor ons volgende e-zine van half augustus. Een e-zine dat een dynamische en ambitieuze hervatting van de werkzaamheden zal inluiden…


Met vriendelijke groet,

André Bert
Voorzitter