Onvermijdelijk? Alleszins logisch en mogelijk … 

Geachte confrater,

De invoering van een btw van 21 % op de erelonen van de advocaten, een controversieel probleem en eeuwige twistappel, kwam in 2011 tijdens de vorming van de regering al ter sprake en werd tijdens de recente besprekingen van het begrotingsconclaaf nogmaals opgerakeld. Dit probleem vereist een objectief debat, met objectieve argumenten.

Een beetje geschiedenis

Om het debat ten gronde te kunnen voeren, is eerst inzicht vereist in het hoe en waarom van deze vrijstelling, die de advocaten ontheft van btw-aanrekening en periodieke btw-aangiften die (in principe) maandelijks hun ontvangsten opgeven.

Het betreft een afwijking van de Zesde Btw-richtlijn die België voorlopig en tijdelijk heeft verkregen. Deze richtlijn had tot doel een gemeenschappelijk btw-percentage te bepalen op een grondslag die wordt vastgesteld op uniforme wijze volgens communautaire voorschriften. In het Belgisch Btw-Wetboek worden de advocaten in artikel 53bis, § 1 W.Btw opgenomen onder de omschrijving “de belastingplichtigen die uitsluitend leveringen van goederen of diensten verrichten waarvoor zij geen recht op aftrek hebben”.

Hoewel artikel 53 van de Wet van 28 december 2011 ondertussen de btw-vrijstelling voor de notarissen en de gerechtsdeurwaarders heeft afgeschaft, heeft de wetgever deze voor de advocaten behouden. Een situatie die uniek is in Europa. België is momenteel het laatste land van de Europese Unie dat diensten van advocaten nog vrijstelt van btw. We kunnen alleen maar vaststellen dat, met uitzondering van de medische en sommige paramedische beroepen, alle vrije beroepen hun diensten nu aan de btw onderwerpen.

Rechtstreekse gevolgen

Enerzijds heeft de handhaving van deze vrijstelling ook een kostenplaatje. Deze kost is niet te verwaarlozen, met een bedrag van om en bij de 80 miljoen euro per jaar. Als tegenprestatie betaalt België een vergoeding voor het verlies aan financiële inkomsten dat de Europese instellingen ten gevolge van deze afwijking lijden. Aangezien een deel van de btw-inkomsten wordt doorgestort aan Europa, is het immers logisch dat de lidstaat die bepaalde activiteiten vrijstelt van de btw, Europa vergoedt voor de daardoor veroorzaakte minderontvangsten. Tussen 1995 en 2005 heeft België aldus een totaalbedrag van 882.801.295 euro compensaties betaald. Om evidente budgettaire redenen passen alle andere lidstaten van de EU, met inbegrip van Griekenland sinds 2011, de btw toe op de diensten van de advocaten. België is het laatste Europese land waar de advocaten ervan worden vrijgesteld hun cliënten btw aan te rekenen! Het is duidelijk dat dergelijke maatregel de verschillende btw-regelingen die momenteel van toepassing zijn op de verschillende vrije beroepen zou afschaffen (behalve voor de medische en paramedische beroepen die vrijgesteld zijn van de btw op grond van de Btw-richtlijn). Het valt ons steeds moeilijker te bevatten waarom een bedrijfsrevisor, een accountant, een notaris of een journalist een boekhouding moet voeren in overeenstemming met de wetgeving die toepasselijk is op het stuk van de btw, terwijl een advocaat daarvan is vrijgesteld.

Anderzijds geeft deze situatie aanleiding tot oneerlijke concurrentie voor vergelijkbare prestaties. De invoering van een veralgemeende onderwerping voor alle vrije beroepen aan de btw zou een halt toeroepen aan de oneerlijke concurrentie tussen advocaten en andere dienstverrichters (accountants, boekhouders, belastingconsulenten en adviesbureaus) in verband met advies dat wordt verleend aan overheidsdiensten, gemeenten, financiële instellingen, verzekeringsmaatschappijen en particulieren. Het is momenteel veel voordeliger om bijvoorbeeld fiscaal advies te vragen aan een advocaat, dan aan een consulent wiens prestaties aan btw worden onderworpen. Voor een soortgelijke kwaliteitsdienst wordt immers een meerkost van 21 % btw aangerekend, zonder dat die btw (zij het beperkt) kan worden afgetrokken. Afhankelijk van het feit of het fiscaal advies wordt aangerekend door een cijferberoeper dan wel door een advocaat, wordt de ereloonnota al dan niet met 21 % btw verhoogd. Dat zet de ondernemingen die niet het recht hebben om de btw af te trekken, ertoe aan om een advocaat onder de arm te nemen voor advies, in plaats van de hulp in te roepen van een economische beroepsbeoefenaar. Dit is een concurrentieverstoring waarvoor geen enkele redelijke verantwoording meer bestaat.

Daarenboven zou de afschaffing van de vrijstelling op termijn een einde maken aan het onzekere, duistere en zelfs discriminerende statuut van de verschillende Europese buitenlandse advocatenkantoren (advocaten waarvan de meerderheid van de vennoten ingeschreven is bij een Europese, niet-Belgische balie). In de praktijk blijkt dat sommige controleurs deze inrichtingen als volledige belastingplichtigen met recht op volledige aftrek van de btw beschouwen, terwijl andere controleurs hun dit voordeel ontzeggen (mede ingevolge tegenstrijdige richtlijnen vanwege de fiscale administratie).

Het feit dat België ondertussen de laatste lidstaat is waar diensten van advocaten vrijgesteld zijn van btw (Griekenland heeft deze vrijstelling in de loop van 2010 afgeschaft, voornamelijk om budgettaire redenen) zal voor de buitenlandse zakenadvocatenkantoren waarschijnlijk een sterke stimulans zijn om in Brussel een nieuwe inrichting of bijkantoor op te richten of om een nieuw gebouw voor hun bestaande inrichting op te trekken (wat vaak wordt vermeden gelet op de niet-aftrekbaarheid van de btw geheven van de bouwkosten).

Beperking van de rechtstoegang?

Het klassieke bezwaar tegen de afschaffing van de vrijstelling, is dat die vrijstelling tot een verhoogde kost van de rechtstoegang voor minderbedeelden zou leiden. Advocaten zijn er altijd van overtuigd geweest dat de invoering van een btw van 21 %, waarvan ze aannemen dat die volledig zal worden afgewenteld op de cliënt, voor particulieren (echtscheidingen, burenruzies, slachtoffers van oplichting, enz.) een beperking tot de rechtstoegang zal teweegbrengen. Dit zou leiden tot een aanzienlijke verhoging van de kostprijs van rechtsbijstand (pro-deoprocedures) ten laste van de FOD Justitie en tot een verhoging van de kosten van verdediging bij een aantal rechtsonderhorigen, zoals de overheidsdiensten en de non-profitsector in het algemeen, die geen recht hebben op aftrek van de btw.

Ons antwoord daarop is dat een deel van de aanzienlijke bedragen die de Belgische Staat nu aan Europa stort, gemakkelijk kan worden aangewend voor de financiering van rechtsbijstand aan minderbedeelden.

Wij denken trouwens niet dat in de 26 andere lidstaten van de Europese Unie de btw de toegang tot het gerecht heeft beperkt.

Met vriendelijke groet,

 

 Benoît Vanderstichelen André Bert
Ondervoorzitter Voorzitter