Het ‘algemeen mandaat’, een evenwichtige oplossing in het kader van de bestrijding van de fiscale en sociale fraude 

Geachte confrater,

Verleden week lieten wij u in ons editoriaal kennismaken met het actieplan van het College voor de strijd tegen de fiscale en sociale fraude, waarvan staatssecretaris John Crombez de agenda’s en acties coördineert door de volledige tekst ter beschikking te stellen. Wij beloofden u om regelmatig terug te komen op een aantal specifieke punten, om ze te toetsen aan de bedenkingen en specifieke acties die het Instituut ter zake onderneemt.

Een recente ontmoeting met het kabinet-Laruelle heeft ons meteen op weg gezet om een aantal voorstellen te formuleren, meer bepaald over de voornemens die op pagina’s 26-28 uit de doeken worden gedaan betreffende de “rol van de economische beroepen: naar een nieuwe sanctieregeling?”.

Een dubbele vaststelling ondersteunt onze redenering...

Als men, volkomen terecht en zoals aanbevolen door de parlementaire onderzoekscommissie naar grote fiscale-fraudedossiers, de financiële en fiscale adviseurs wil straffen, dan is dat, a priori, een kwestie van sancties treffen. In dat kader hebben we aangeboden om mee te werken aan de toekomstige werkzaamheden van het College voor de bestrijding van fiscale fraude, om uit te maken hoe een specifieke sanctie op het vlak van fiscale fraude kan worden ingevoerd en hoe de bestaande sancties effectiever kunnen worden toegepast.

Bovenstaande vaststelling mag dan al kloppen, toch maken we ons de algemene - en minstens even relevante - bedenking dat preventie nog altijd beter werkt dan dwang. Zou men, in plaats van steeds nieuwe strafverzwaringen door te voeren, niet beter de economische beroepen strenger laten controleren door de respectievelijke instituten die dat onder optimale voorwaarden kunnen doen? Dat lijkt ons een gerechtvaardigde aanpak die goed onderbouwd en werkbaar is …

  • wanneer deze wordt uitgeoefend door beroepsbeoefenaars die onderworpen zijn aan strenge verplichtingen qua toegang tot het beroep, permanente vorming en strikte deontologische criteria, dan is de uitoefening van de fiscaliteit meteen kwalitatief beter omkaderd en onderbouwd met de nodige kennis, inzicht en vaardigheden. Het is net het gebrek aan actuele kennis, deontologische regels en elke vorm van controle die “fiscale avonturen” mogelijk maakt …
  • Deze kwaliteit die al grotendeels aanwezig is, zal in de toekomst niet alleen worden bevestigd, maar ook gemeten en aangetoond door de geleidelijke invoering van een “kwaliteitstoetsing” binnen het beroep.

Onze voorstellen, die ook werden uiteengezet tijdens onze ontmoeting op het kabinet-Laruelle

Hoe kunnen we vermijden dat een mandataris in alle vrijheid fiscaliteit kan uitoefenen, zonder controle of deontologisch kader? We stellen voor om, op het vlak van de ondernemingsfiscaliteit, een algemeen mandaat in te voeren voor de economiche beroepsbeoefenaars.

Dit lijkt ons een evenwichtige oplossing, zowel in termen van potentiële draagkracht als van operationele werkingsregels, rekening houdend met de beoogde kenmerken van dat mandaat.

  • Uniek en algemeen. Dit mandaat dat de cliënt via een gebruiksvriendelijke, en voornamelijk elektronische, procedure toekent, zou gelden voor alle betrekkingen tussen de belastingadministratie en de betrokken belastingplichtige, eens het door de administratie aanvaard is.
  • Specifiek voor de boekhoudkundige en fiscale beroepsbeoefenaars. Op het vlak van de ondernemingsfiscaliteit zou dat mandaat slechts door de belastingadministratie kunnen worden goedgekeurd als de gemandateerde beroepsbeoefenaar lid is van één van de drie beroepsinstituten.

Op deze basis, die inspeelt op de behoeften van de cliënten en van de belastingadministratie in termen van waarborgen gekoppeld aan de uitoefening van de fiscale activiteit, zouden de specifieke problemen inherent aan de kwaliteit van de boekhoudkundige en fiscale beroepsbeoefenaar nader kunnen worden bestudeerd en besproken.

Met vriendelijke groet,

Benoît VANDERSTICHELEN
Ondervoorzitter