Opeisbaarheid btw op voorschotten: constructieve voorstellen voor definitieve regeling na 2014!

10/04/2014 - IAB

Geachte confrater,

Sinds 1 januari 2013 is de uitreiking van een factuur, alvorens het belastbaar feit zich voordoet, niet langer een oorzaak van opeisbaarheid van de btw. Ook het uitreiken van een voorschotfactuur vooraleer de goederen worden geleverd of de dienst wordt voltooid maakt de btw niet langer opeisbaar. De betaling blijft met andere woorden nog de enige subsidiaire oorzaak van opeisbaarheid van de btw vóór de levering of dienst. Dat het uitreiken van de factuur geen oorzaak van opeisbaarheid meer is, brengt in de praktijk ernstige organisatorische problemen met zich mee.

- In veel gevallen valt de uitreiking van de voorschotfactuur en de betaling van het voorschot in dezelfde periode van de fysieke levering van het goed of de voltooiing van de dienst. Hierdoor valt de opeisbaarheid en de aftrekbaarheid van de btw op het voorschot, samen met de opeisbaarheid en aftrekbaarheid van de btw op de levering of de dienst (het belastbaar feit).

- Daartegenover staat dat voor ondernemingen die vaak gebruikmaken van voorschotfacturen, waarbij de levering van goederen of de voltooiing van diensten niet binnen diezelfde maand plaatsvindt, de problemen des te groter zijn. Want de btw-regels verplichten hen om al hun financiële verrichtingen te boeken vóór het indienen van hun btw-aangifte, dus vóór de 20ste van de volgende maand, zodat ze kunnen nagaan of het aan hen gefactureerde voorschot ook effectief werd betaald. Het is immers pas wanneer dit voorschot betaald is, dat de btw ook kan worden afgetrokken. Indien de ondernemingen – waaronder tal van kmo’s – niet in staat zijn hun financiële boekingen uit te voeren vóór de maandelijkse betaling van hun btw, worden ze benadeeld in het tijdig kunnen uitoefenen van hun recht op aftrek van de btw. 

Verlenging overgangsmaatregel in 2014

Om deze praktische problemen enigszins te verzachten werd ‒ zoals bekend ‒ voorzien in een overgangsregeling die zou gelden van 1 januari 2013 tot 31 december 2013 (Beslissing ET 123.563 van 19 december 2012). Gedurende die periode konden de oude regels nog worden toegepast, behalve in geval van intracommunautaire verrichtingen. In juni 2013 vernamen we dat de minister van Financiën deze overgangsperiode zou verlengen. De modaliteiten hiervan moesten toen nog worden besproken, wat ondertussen gebeurd is: in haar Beslissing van 22 november 2013 heeft de FOD Financiën bevestigd dat de bestaande overgangsregeling verlengd wordt tot 31 december 2014. Net als in 2013 kunnen de btw-belastingplichtigen met andere woorden kiezen tussen de nieuwe of de oude regels van opeisbaarheid van de btw. Wanneer ze echter voor de nieuwe regels kiezen, kan een aangepaste werkwijze – verduidelijkt in de Beslissing – nodig zijn gedurende het jaar 2014.

Hoe zit het met de definitieve regeling?   

Met het oog op het vinden van een werkbare en billijke oplossing, ná 2014, in het kader van de definitieve regeling met betrekking tot de opeisbaarheid van de btw op voorschotten, en om de administratieve lasten voor de ondernemingen als gevolg van deze nieuwe regeling zo veel mogelijk te verlichten, werd reeds intensief overleg gepleegd met de minister van Financiën Koen Geens, zijn adjunct-kabinetschef Jan Van Dyck en de btw-administratie. Onlangs werden er per brief verschillende voorstellen geformuleerd, opgesteld in samenspraak met de drie Instituten en goedgekeurd door de Raad van 11 maart 2014. Gonda Schelfhaut en Benoît Vanderstichelen hebben zich ten volle ingezet in dit dossier, teneinde de belangen van de ondernemingen en de accountantskantoren te verdedigen. Hieronder vindt u het resultaat van deze veelvuldige vergaderingen: 

> De meest eenvoudige oplossing zou inhouden dat de administratie, in geval van controle, tolereert om btw die de belastingplichtige (in feite te vroeg) heeft afgetrokken op voorschotfacturen, ontvangen van zijn leverancier, niet te verwerpen indien, op het moment van de controle, de btw-controleur kan vaststellen dat het belastbaar feit heeft plaatsgevonden of dat het voorschot effectief werd betaald binnen een bepaalde termijn (bijvoorbeeld twee of drie maanden na factuurdatum). Op die manier kunnen we onze cliënten inlichten dat, indien ze een voorschotfactuur hebben ontvangen, maar ze niet in staat zijn om alle financiële verrichtingen vóór de 20ste van elke maand te boeken, er geen gevolgen zullen zijn voor wat betreft hun uitgeoefende recht op aftrek indien ‒ naar aanleiding van een controle ‒ blijkt dat het belastbaar feit (werkelijke levering van een goed of voltooiing van een dienst) heeft plaatsgevonden of de betaling intussen werd uitgevoerd binnen een door de administratie toegelaten termijn.

> Indien deze eerste mogelijkheid niet wordt aanvaard, stellen we voor om de bestaande tolerantie, waarbij de btw opeisbaar wordt verklaard op het moment van het opstellen van iedere voorschotfactuur, definitief te behouden. Deze mogelijkheid staat open voor iedere btw-belastingplichtige die bij iedere gelegenheid van facturatie van voorschotten (naargelang de verrichting) zelf kan beslissen om de opeisbaarheid van de btw op het tijdstip van de uitreiking van de factuur te behouden. Bij dit voorstel zou een bijkomende vermelding op de factuur worden voorzien (bijvoorbeeld: “Btw opeisbaar op datum van factuur”), zodat de klant kan weten of de btw ook aftrekbaar is op basis van de datum van de factuur, zonder te hoeven wachten op de betaling. Op die manier wordt de btw op de gefactureerde voorschotten aftrekbaar ofwel bij de betaling van de factuur, overeenkomstig de wettelijke regeling, ofwel, in geval van de vermelding op de factuur door de leverancier, op datum van de uitreiking van de voorschotfactuur.

Zodra in samenspraak met alle partijen rond de tafel een oplossing wordt gevonden, zullen we niet nalaten de praktische modaliteiten ervan in detail te bespreken. Zelfs al werd voorlopig, vergeet u dat niet, de overgangsregeling verlengd tot einde 2014.
 
Met confraternele groeten, 
           
                      Bart Van Coile                                            Benoît Vanderstichelen
                      Ondervoorzitter                                          Voorzitter

Thema's: Beroep > Het Instituut;Fiscaliteit > Belasting toegevoegde waarde (Btw)
Kernwoord(en):