Neen aan het recht van 10 of 12,5 % bij uitonverdeeldheidtreding!

30/06/2015 - IAB

Geachte confrater,

Als de fiscale administratie echt wil laten zien dat het haar menens is met de duurzame tax-cificatie, dan is dit een unieke kans!

Net nu er recentelijk diverse fiscale maatregelen werden genomen om de vennootschappen in vereffening hun reserves te laten uitkeren tegen het verlaagde tarief van 10 % ‒ wat wij alleen maar kunnen toejuichen ‒, vond de Administratie van de registratie het nodig om een felomstreden circulaire te publiceren met het doel dezelfde vennootschappen en hun aandeelhouders te bestraffen (beslissing van 22 september 2014).

De onplezierige indruk die deze tegengestelde signalen nalaat, is dat de fiscale administratie met de ene hand wil terugnemen wat ze met de andere hand heeft gegeven.

Heel wat vennootschappen en hun adviseurs krijgen het bittere gevoel van een pyrrhusoverwinning!

Deze circulaire van de Administratie van de registratie bepaalt dat, in geval van vervreemding van onverdeelde delen van een onroerend goed dat door een vennootschap en een vennoot of aandeelhouder in onverdeeldheid is verkregen, niet langer artikel 109 W.Reg., maar wel de bijzondere regels neergelegd in de artikelen 129 en 130 van hetzelfde wetboek, van toepassing zijn .

Volgens artikel 129 is iedere verkrijging door een vennoot, anderszins dan bij inbreng in vennootschap, onderworpen aan het verkooprecht (10 of 12,5 %).

Alleen de vennoten van personenvennootschappen die bij de vereffening van hun vennootschap een onroerend goed terugnemen en voldoen aan de specifieke voorwaarden van de artikelen 129 en 130, zullen aan dit verkooprecht kunnen ontsnappen.

Dat betekent dat, wanneer bijvoorbeeld een aandeelhouder van een naamloze vennootschap een onroerend goed in onverdeeldheid met zijn vennootschap aanhoudt, de regels betreffende het verdelingsrecht niet meer op hem van toepassing zijn.

De administratie verantwoordt de herziening van het standpunt dat zij tot bij de publicatie van deze circulaire volgde met diverse argumenten die alle even weinig overtuigend zijn [1]:

  • Eerste argument: de tekst van artikel 129 van het Wetboek der Registratierechten moet letterlijk geïnterpreteerd worden. Dit argument snijdt geen hout want, afgaande op een zuiver tekstuele interpretatie, wordt er in de artikelen 129 of 130 nergens gezegd dat deze bepaling van toepassing is “met uitsluiting van artikel 109”.
  • Tweede argument: “Lex specialis derogat lex generalis” [2]. Nog afgezien van het feit dat het Hof van Cassatie dit beginsel nooit bekrachtigde, kunnen de artikelen 129 en 130 de regels neergelegd in artikel 109 nooit tenietdoen. Artikel 109 maakt deel uit van Afdeling X – Verdelingen, terwijl de artikelen 129 en 130 deel uitmaken van Afdeling XI die bijzondere regels bevat voor de burgerlijke en handelsvennootschappen. Het zijn dus verschillende afdelingen die verschillende verrichtingen beogen.
  • Derde argument: de artikelen 129 en 130 zijn antimisbruikmaatregelen. Zoals Notaris Eric Spruyt terecht onderstreept, blijkt uit de lezing van de voorbereidende werkzaamheden van de wet die deze bepalingen invoerde, dat deze absoluut niet het geval beogen van een onverdeeldheid tussen een aandeelhouder van een NV en zijn vennootschap waaruit die aandeelhouder na verloop van jaren wenst uit te treden, maar veeleer het geval van de kunstmatige oprichting van personenvennootschappen met de bedoeling aan het verkooprecht van 10 of 12,5 % te ontsnappen (zie dienaangaande de analyse van de auteur in de Nieuwsbrief Notariaat, nr. 9, week 24 en 25, 2015).

Moeten we er ten slotte nog aan herinneren dat een circulaire niet tot wet strekt?

Geachte directeurs van de Administratie van de registratie, kom terug op het oude standpunt dat zo eenvoudig en logisch was en annuleer deze circulaire die niet in overeenstemming is met de geest van het Wetboek der Registratierechten.

Onze leden zullen er u ontzettend dankbaar voor zijn.

Met confraternele groeten,

   Bart Van Coile  Benoît Vanderstichelen
   Ondervoorzitter  Voorzitter

 


[1] Voor Vlaanderen zijn ook art. 2.10.1.0.1 en 2.10.4.0.1 VCF, art. 2.9.1.0.4 VCF en art. 2.9.1.0.5 VCF van toepassing.
[2] Bijzondere wetten hebben voorrang op algemene wetten.

Thema's: Beroep > Het Instituut
Kernwoord(en):