Begrip bedrijfstak

8/01/2015 - Pierre-François Coppens - Studiedienst IAB

Het Wetboek van de Inkomstenbelastingen bevat geen definitie van het begrip bedrijfstak. Het commentaar erbij haalt louter aan dat: “Onder bedrijfsafdeling of tak van werkzaamheid in een nijverheids-, handels- of landbouwonderneming wordt het geheel verstaan van de bestanddelen die in een afdeling van die onderneming belegd zijn en technisch een onafhankelijke onderneming vormen, d.w.z. een geheel dat bekwaam is om met eigen middelen te werken” (Kamer, zittingsperiode 1958-1959, St. 216/1). De vraag of onroerende goederen al dan niet in een bedrijfstak geïnvesteerd zijn, moet worden opgelost in het licht van de feitelijke omstandigheden die op het tijdstip van de inbreng binnen de inbrengende vennootschap bestaan. Het heeft bijgevolg weinig belang dat die onroerende goederen niet absoluut onontbeerlijk zijn voor de uitoefening van de activiteit of dat de verkrijgende vennootschap al dan niet van plan is om dezelfde activiteit op dezelfde plaats voort te zetten.

Artikel 46, § 1 van het WIB 1992 verduidelijkt echter in fine: “Financiële vaste activa en andere effecten in portefeuille zijn geen bedrijfsafdeling of tak van werkzaamheid; zij worden slechts beschouwd als tot een bedrijfsafdeling of een tak van werkzaamheid te behoren indien zij normaal in de onderneming van die bedrijfsafdeling of tak van werkzaamheid zijn opgenomen zonder het hoofdbestanddeel daarvan te vormen.” Een portefeuille kan met andere woorden niet onder de regeling van de inbreng van een bedrijfstak vallen.

In het kader van de toepassing van het Wetboek der Registratierechten wordt onder bedrijfstak verstaan: “Het geheel (…) van de goederen die door de inbrengende vennootschap worden aangewend tot een of meer afdelingen van haar onderneming welke, uit technisch oogpunt, ieder een onafhankelijk uitbatingsgeheel vormen” (KB van 18 juli 1972 tot uitvoering van het Wetboek der registratie, hypotheek- en griffierechten, artikel 117, §2).

Op het gebied van btw luidt de definitie: “Een autonoom bedrijfsonderdeel met lichamelijke en eventueel ook onlichamelijke zaken, welke tezamen een onderneming of een gedeelte van een onderneming vormen waarmee een autonome economische activiteit kan worden uitgeoefend” (arrest van het Europees Hof van Justitie van 27 november 2003 C- 497/01, Zita Modes Sarl).

Kan een cliënteel een bedrijfstak vormen? In het licht van de draagwijdte die in de verschillende takken van het fiscaal recht aan het begrip bedrijfstak wordt verleend, kunnen we ervan uitgaan dat de kans dat een cliënteel als een bedrijfstak kan worden uitgelegd klein is. Het gaat niet om een ‘geheel van elementen’, maar om één enkel element dat niet volstaat om een activiteit uit te oefenen waarvan het slechts één element is, zelfs al gaat het om een belangrijk element zonder hetwelk de activiteit niet kan worden uitgeoefend.

Thema's: Beroep > Het Instituut
Kernwoord(en):