Hoe reageert u op een aanslag van ambtswege gevestigd op basis van btw-aangiftes?

14/04/2015 - Pierre-François Coppens - Studiedienst IAB

In welke mate kan de administratie zich, bij het vestigen van een ambtshalve aanslag, baseren op de cijfers ingediend in de btw-aangifte, of op andere cijfers waarvan zij weet dat ze onvolledig zijn om de fiscale winst van een onderneming te bepalen?

Is deze werkwijze niet ‘willekeurig’, waardoor de aanslag kan worden betwist? In de rechtspraak kwam deze kwestie regelmatig aan bod. Een bewijs dat de administratie vaak de aanslag van ambtswege gebruikt wanneer ze geen geldige aangifte ontvangen heeft.

Indien de belastingplichtige of de beroepsbeoefenaar de aangifte (van zijn cliënt) vergeten is in te dienen, dan heeft hij er steeds alle belang bij alsnog een laattijdige indiening van de aangifte te doen. De Hoven van beroep van Brussel, Antwerpen en Luik hebben de afgelopen jaren immers geoordeeld dat indien de administratie de aanslag vestigt op basis van een laattijdig ingediende aangifte, ze dan het bestaan van die indiening erkent. Aldus kan ze deze werkwijze niet hanteren. In dat geval dient de aanslag te worden geannuleerd.

Waarom moet de administratie rekening houden met de laattijdige aangifte? Omdat ze alle haar bekende elementen in acht moet nemen op het moment van de aanslag, zelfs wanneer ze gebruikmaakt van de ‘procedure van aanslag van ambtswege’. Indien de laattijdige aangifte gebaseerd is op een regelmatige boekhouding en op complete bewijsstukken, dan dient te worden beschouwd dat de belastingplichtige het bewijs geleverd heeft van zijn exacte inkomsten.

Uiteraard moet de administratie de aangifte evenwel vóór de vestiging van de aanslag ontvangen hebben of ze moet een andere reden kunnen inroepen om een ambtshalve aanslag op te leggen (bijv.: niet-tijdig antwoorden op vragen om inlichtingen).

Wat gebeurt er indien de fiscale administratie geen enkele belastingaangifte ontvangen heeft? Indien de belastingplichtige btw-plichtig is, dan zal de administratie zich vaak steunen op de btw-aangiftes.

Deze procedure is van nature niet betwistbaar, maar de fiscus dient dan wel twee elementen in acht te nemen:

  1. Ze moet alle haar bekende elementen in acht nemen op het moment van de ‘vestiging van aanslag’ [1];
  2. Ze is niet verplicht om het bedrag van de andere uitgaven te reconstrueren [2].

De administratie werd op basis van het eerste beginsel veroordeeld, omdat ze geen rekening heeft gehouden met de huurkosten die haar wel degelijk bekend waren of die ze kon vermoeden op grond van de aangifte van het jaar ervoor (Rb. Luik, 8 juni 2004 [3]), of op grond van de lonen van het personeel op basis van diens ingediende bezoldigingsfiches (Luik, 16 januari 2002 [4]) of op basis van de socialezekerheidsbijdragen “omdat ze inherent zijn aan om het even welke zelfstandige activiteit” (Bergen, 14 mars 2003 [5]).

De veroordeling was in deze gevallen streng: de aanslag is namelijk ‘willekeurig’ en dient dus eenvoudigweg vernietigd te worden. De administratie heeft evenwel in dat geval het recht om een nieuwe aanslag te vestigen. De belastingplichtige zal bijgevolg enkel tijd gewonnen hebben.

We mogen evenwel niet té vroeg victorie kraaien. De administratie hoeft slechts rekening te houden met de elementen “waarover zijn beschikt”. Als zij het bestaan van bepaalde uitgaven kent, maar niet het bedrag, dan is zij er niet toe gehouden dat bedrag zelf vast te stellen – wij bevinden ons immers nog steeds in de procedure van aanslag van ambtswege.


[1] Cass., 13 oktober 1997, F.J.F., nr. 97/611.
[2] Luik, 18 juni 2003, beschikbaar op
www.fiscalnet.be  
[3] Rb. Luik, 8 juni 2004,
www.fiscalnet.be 
[4] Luik 16 juni 2002,
www.fiscalnet.be  
[5] Min, 14 maart 2008,
www.fiscalnet.be

Thema's:
Kernwoord(en):