Minderwaarden naar aanleiding van vereffening: wanneer zijn ze aftrekbaar?

26/05/2015 - Pierre-François Coppens - Studiedienst IAB

Overeenkomstig artikel 198, § 1, 7° WIB 1992 worden waardeverminderingen en minderwaarden op aandelen niet aangemerkt als beroepskost.

Eén uitzondering: minderwaarden op aandelen geleden naar aanleiding van de gehele verdeling van het maatschappelijk vermogen van een vennootschap tot ten hoogste het  gestorte kapitaal. De minderwaarden op aandelen of deelnemingen zijn in principe pas aftrekbaar wanneer er niets meer te verdelen valt en wanneer het verlies bijgevolg definitief is.

Volgens de administratie kan een vennootschap de aftrek van een minderwaarde slechts verkrijgen bij het sluiten van de vereffening van haar dochtervennootschap, en niet bij de ontbinding ervan. Volgens de fiscus moet er dus gewacht worden tot moment waarop het uiteindelijke saldo van de vereffening definitief zou vaststaan.

Dat standpunt wordt echter niet gedeeld door alle rechtbanken. Die verwijzen immers naar het algemene principe van aftrek van de beroepskosten.

Onder meer het Hof van Beroep van Gent verwijst in zijn arrest van 25 maart 2014 [1] naar de parlementaire voorbereidingen die de oorsprong zijn van artikel 198, § 1, 7° WIB 1992. De rechter in beroep benadrukt dat ‒ voor de wetgever ‒ moet worden aangetoond dat het maatschappelijk kapitaal daadwerkelijk verloren is, wat kan gebeuren op een moment vóór de gehele verdeling van het maatschappelijk vermogen. Wat van belang is, is dat de schuld ‘zeker en vaststaand’ is. Dit betekent dus dat de vennootschap die aandeelhouder is, geen hoop meer heeft dat zij, in het kader van de verdeling van de dochtervennootschap, dividenden zal ontvangen van de dochtervennootschap waarin zij deelnemingen bezit.

In zijn arrest van 3 februari 2015 neemt het Hof van beroep van Antwerpen een ander standpunt in dat het Gentse Hof van beroep, al worden de beginselen niet in twijfel getrokken. Een onderneming werd in oktober 2001 failliet verklaart, maar het hof stelde in december 2007 vast dat het faling nog niet werd afgesloten. Volgens het hof was het op 27 december 2001 nog te vroeg om al te kunnen spreken van een gehele verdeling van het maatschappelijk vermogen en is er niet voldaan aan artikel 198, § 1, 7° WIB 1992 om de minderwaarde in aftrek te brengen. Er was op dat moment immers nog geen enkel objectief element dat het verlies aan werkelijk gestort kapitaal aantoonde. Er lag ook geen attest voor van de curator waaruit dit verlies bleek. Dit betekent echter niet dat er moest worden gewacht tot op het ogenblik waarop de faling afgesloten werd, maar tot op het ogenblik dat men zeker is dat er niets meer te verdelen valt. Dit bewijs kon op 27 december 2001 nog niet worden geleverd. Dat bewijs werd volgens de rechter pas geleverd in oktober 2007, wanneer de curator een attest van niet-invorderbaarheid heeft geleverd.

Ook de parlementaire voorbereidingen bieden geen steun aan de stelling van de administratie, aangezien daar enkel in staat dat de minderwaarde voortvloeiend uit de vereffening kan plaatsvinden “naar aanleiding van de gehele verdeling van het maatschappelijk vermogen”, en niet wanneer het uiteindelijke saldo van de vereffening definitief vaststaat (namelijk ná de betaling van de schulden en de realisatie van de activa).

We stellen overigens vast dat de rechterlijke beslissingen, die een aftrek op het moment van de sluiting van het faillissement niet aanvaarden, in beroep vernietigd worden [2].

We kunnen dus nog maar eens vaststellen dat de fiscale administratie ‒ bovenop de wet ‒ veronderstelt dat de minderwaarde aftrekbaar zou zijn zodra het faillissement of de vereffening formeel gesloten is.

Ook de Dienst Voorafgaande Beslissingen (DVB) sluit zich aan bij een soepele interpretatie van deze bepaling. De DVB verwacht van de vennootschap die de minderwaarde naar aanleiding van de vereffening boekt, dat zij het bewijs levert dat het verlies niet meer kan worden teruggevorderd. Hierbij is het ogenblik ‒ zoals een definitieve sluiting ‒ niet van belang [3].


[1] Gent, 25 maart 2014, Fiscoloog nr. 1339, p. 12; zie ook Gent, 22 mei 2012, Fiscoloog nr. 1309, p. 10; contra: Luik, 6 januari 2010, Fiscoloog nr. 1215, p. 9
[2]
Rb. Brugge 3 oktober 2002, vernietigd door Gent 25 maart 2014
[3] Zie onder andere beslissing van 16 juni 2009 (nr. 900.025)

Thema's:
Kernwoord(en):