Auteursrechten: rulingcommissie aanvaardt volgende percentages

22/06/2015 - Pierre-François Coppens - Studiedienst IAB

Steeds meer bedrijfsleiders vragen bij de Dienst Voorafgaande Beslissingen (DVB) het voordeel aan van de fiscale regeling voor auteursrechten vanwege de creatieve inbreng die hun vennootschap ten goede komt. De DVB ontvouwt in haar beslissing nr. 2014.327 dd. 29.07.2014 onderstaande redenering inzake de concessie van auteursrechten. Die beslissing is dus interessant om als leidraad te dienen.

De DVB herhaalt dat een creatieve inbreng aan twee voorwaarden moet voldoen om auteursrechtelijke bescherming te genieten. Hij moet:

  • op een bepaalde wijze uitgedrukt zijn, zodat hij kan worden verspreid naar een publiek. Louter ideeën worden dus niet beschermd;
  • origineel zijn, gevormd door de aanwezigheid van een persoonlijke stempel van de auteur(s).

De DVB redeneert in drie stappen om te bepalen of de aan een auteur of kunstenaar toegekende inkomsten in aanmerking komen voor de fiscale gunstregeling voorzien in artikel 17, § 1, 5° WIR 1992:

  1. Is de interpretatie waarmee hij inkomsten kan halen beschermd door de wet van 30 juni 1994?
  2. Werd er een cessie of een concessie gedaan op de vermogensrechten op de interpretatie van het werk (naburige rechten)?
  3. Vloeien de inkomsten voort uit de cessie of de concessie van de vermogensrechten op de interpretatie van het werk?

Het goede nieuws is dat, na een positief antwoord op deze drie vragen, de DVB niet meer eist (zoals vroeger) dat de vergoeding van de bedrijfsleider vast is. De omstandigheid dat een deel van de huidige vergoeding van de bedrijfsleider verminderd wordt met een bedrag gelijk aan de toekenning van auteursrechten, vormt geen beletsel meer om een ruling te verkrijgen.

Gelet op het gegeven dat de wet van 16 juli 2008 een forfaitaire belasting van de auteursrechten heeft ingesteld en op het gegeven dat het oogmerk van elke rulingaanvrager het streven naar rechtszekerheid is, kan volgens de DVB daarenboven worden besloten dat artikel 344, § 1 WIB 1992 niet van toepassing is.

Met betrekking tot het deel van de inkomsten dat voortkomt van de cessie van auteursrechten ten opzichte van de totale omzet, stelt de DVB evenwel volgende regels en grenzen vast:

  1. in de facturen die de vennootschap aan haar klanten uitreikt, moet het onderscheid worden gemaakt tussen het gedeelte auteursrechten en het gedeelte prestatie, waarbij het maximum aan auteursrechten dat de vennootschap aan haar klanten mag factureren 25 % bedraagt;
  2. om de eigenlijke bezoldiging van de bedrijfsleider niet te verminderen, wordt de omzetverhouding van de vennootschap (naburige rechten/prestaties) ook op de bedrijfsleider toegepast;
  3. ten slotte moet de vennootschap ten minste 50 % van haar omzet aan auteursrechten behouden;
  4. om te vermijden dat de bezoldiging van de bedrijfsleider zou worden verminderd, moet deze omzetverhouding toegepast worden op alle aan de bedrijfsleider toegekende sommen.

Een voorbeeld zal deze methode duidelijker maken

Stel een vennootschap met een omzet van 1 000 EUR. De aan de eindafnemer gefactureerde auteursrechten bedragen 250 EUR (25 %). Het gedeelte prestaties bedraagt 750 EUR (75 %). De aan de bedrijfsleider toegekende auteursrechten mogen dus maximaal 125 EUR (50 % van 250) bedragen en zijn minimumbezoldiging moet 375 EUR zijn (in het geval 125 EUR aan auteursrechten wordt toegekend).

Hoewel wij ons afvragen waarop de DVB zich gebaseerd heeft om deze grensbedragen vast te stellen, kunnen wij het toch waarderen dat ons voor het eerst becijferde criteria worden meegedeeld die als leidraad kunnen dienen.

Thema's:
Kernwoord(en):