Bijzondere liquidatiereserve: FAQ

22/06/2015 - Pierre-François Coppens - Studiedienst IAB

Wij hebben het nieuwe ontwerp van programmawet, dat voorziet in de invoering van de ‘bijzondere’ liquidatiereserve (uitbreiding van de liquidatiereserve tot de aanslagjaren 2013 en 2014), aandachtig bestudeerd.

Omdat de leden heel wat vragen hebben rond die bijzondere liquidatiereserve, hebben wij een lijst met veelgestelde vragen (FAQ’s) opgesteld, met dien verstande evenwel dat het niet uitgesloten is dat de teksten later nog worden gewijzigd.

  1. Is de vorming van de bijzondere liquidatiereserve verplicht, als de vennootschap al de liquidatiereserve heeft aangelegd voor het aanslagjaar 2015?
    Neen. Net als de vorming van de liquidatiereserve blijft de vorming van de bijzondere liquidatiereserve facultatief.
  2. Komt een vennootschap die voor de aanslagjaren 2013 en 2014 nog een kmo was, maar die hoedanigheid in 2015 verliest, nog in aanmerking voor het voordeel van de bijzondere liquidatiereserve?
    Ja. De hoedanigheid van kmo moet enkel bekeken worden voor het boekjaar dat verband houdt met het aanslagjaar 2013 of 2014.
  3. Hoe wordt de termijn van 5 jaar berekend om van het verlaagd tarief van de roerende voorheffing van 5 % te kunnen genieten?
    De termijn van 5 jaar begint te lopen vanaf de laatste dag van het betreffende belastbaar tijdperk, hetzij 31 december 2015 voor de bijzondere liquidatiereserve met betrekking tot het aanslagjaar 2013 en 31 december 2016 voor de bijzondere liquidatiereserve met betrekking tot het aanslagjaar 2014. Net als voor de liquidatiereserve moet de aanrekening van de dividenden op de bijzondere liquidatiereserve gebeuren volgens het FIFO-principe. De bijzondere reserve met betrekking tot het aanslagjaar 2013 moet dus eerst worden uitgekeerd. We dienen hierbij te verduidelijken dat een vennootschap steeds de mogelijkheid heeft om op 31 december 2015 (mits aangifte en betaling van de bijzondere aanslag) een bijzondere liquidatiereserve met betrekking tot het aanslagjaar 2014 aan te leggen. In dat geval zal de termijn van vijf jaar aanvangen op datum van 31 december 2015 en niet 31 december 2016.
  4. Hoe moet de anticipatieve heffing van 10 % worden gekweten?
    De betaling zal niet geregeld worden via de belastingaangifte (zoals voor de liquidatiereserve), maar spontaan door middel van een bijzonder formulier. De vennootschap zal ook een bijzondere aangifte moeten indienen bij de bevoegde dienst van de administratie die belast is met de inning en de invordering. Deze bijzondere aangifte zal bij de aangifte in de vennootschapsbelasting moeten worden gevoegd. Ze zal verschillende vermeldingen bevatten, zoals de belastbare grondslag, het tarief en de naleving van de voorwaarden van artikel 15 W.Venn.
  5. Verschilt het begrip boekhoudkundige winst na belasting, gebruikt in het kader van de bijzondere liquidatiereserve, van hetzelfde begrip gebruikt in het kader van de gewone liquidatiereserve?
    Neen. In beide gevallen gaat het om het begrip “Te bestemmen winst van het boekjaar”, zoals opgenomen onder code 9905 van de modeljaarrekening van de Nationale Bank van België: “Te bestemmen winst (verlies) van het boekjaar”, bedoeld in artikel 93 van het koninklijk besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het Wetboek van Vennootschappen.
  6. Is het waar dat een vennootschap die anders afsluit dan per kalenderjaar, voor het aanslagjaar 2012 het voordeel van de maatregel verliest?
    Ja. In de huidige stand van de wetgeving verliest een vennootschap die haar balans afsluit vóór 31 december van het jaar, voor boekjaar 2012 (aanslagjaar 2012) het voordeel van deze maatregel aangezien de vorming van een bijzondere liquidatiereserve enkel mogelijk is voor de aanslagjaren 2013 en 2014.
  7. Kan een in 2013 of 2014 aangelegde wettelijke reserve als bijzondere liquidatiereserve worden aangewend?
    Ja. De minister heeft in de Kamercommissie Financiën (25 februari 2015, nr. CRIV 54 COM 098, p. 35) bevestigd dat de voorwaarde dat de te bestemmen winst moet overgeboekt worden naar een afzonderlijke rekening van het passief, niet impliceert dat deze rekening een welbepaalde benaming moet dragen. Volgens de minister is de kwestie om welke afzonderlijke rekening van het passief het gaat een kwestie van ondergeschikt belang. Niets belet om een deel van de te bestemmen winst te boeken op een subrekening van de wettelijke reserve.
  8. Is de anticipatieve heffing van 10 % onderworpen aan de aanvullende crisisbijdrage?
    Neen. Het ontwerp van programmawet voorziet dat ook artikel 463bis WIB 1992 zal aangepast worden om deze anticipatieve heffing van 10 % uit de belastingen die onderworpen zijn aan de aanvullende crisisbijdrage te sluiten.
    De anticipatieve heffing blijft evenwel een verworpen uitgave.
  9. Gaat het voordeel van deze maatregel verloren bij een fusie tussen moeder-dochter?
    Ja. Als de dochtervennootschap een (bijzondere) liquidatiereserve had aangelegd, heeft de verdwijning van deze reserve bij de fusie tot gevolg dat de onaantastbaarheidsvoorwaarde niet meer vervuld is. In antwoord op een parlementaire vraag (PV Van Biesen van 11 maart 2015) werd geantwoord dat deze fusie tot gevolg heeft dat de reserve belastbaar wordt, aangezien de belastingneutraliteit niet van toepassing is op deze reserve.
  10. Kan de uitkering van de (bijzondere) reserve het verlies van het verlaagd tarief van de vennootschapsbelasting teweegbrengen?
    Ja. Zodra de uitkering van deze reserve meer bedraagt dan 13 % van het gestort kapitaal, verliest de vennootschap het voordeel van het verlaagd tarief van de vennootschapsbelasting.
  11. Wat gebeurt er als de vennootschap die de (bijzondere) liquidatiereserve heeft aangelegd, nadien verliezen lijdt en de reserve volledig of gedeeltelijk moet aanwenden om die verliezen aan te zuiveren?
    I
    n dat geval verliest de vennootschap definitief de anticipatieve heffing van 10 % op het deel van de bijzondere reserve die werd aangetast, zelfs indien zij later opnieuw winstgevend wordt.
  12. Kan in bepaalde gevallen de antimisbruikbepaling (artikel 344, § 1 WIB 1992) worden toegepast?
    Ja. In de praktijk moeten twee gevallen worden onderscheiden:

– Indien de bedrijfsleider duidelijk van plan is om de activiteiten van de vennootschap stop te zetten, kan de vorming van de (bijzondere) liquidatiereserve, gevolgd door de vereffening van de vennootschap, niet als fiscaal misbruik worden aangemerkt. Het hoofddoel van de verrichting is immers niet de verkrijging van een fiscaal voordeel, maar de ontbinding van de vennootschap.
– Indien de bedrijfsleider die de liquidatiereserve heeft aangelegd en vervolgens zijn vennootschap heeft vereffend, daarentegen de bedoeling heeft om zijn activiteiten middels een nieuwe vennootschap voort te zetten, kan de antimisbruikbepaling wel worden toegepast. Dan is het hoofddoel van de verrichting namelijk het verkrijgen van een fiscaal voordeel (het voordeel van de aanslagvoet van 10 %). Dan zal de bedrijfsleider op afdoende en ongeveinsde wijze de oprichting van de nieuwe vennootschap moeten kunnen rechtvaardigen: ander maatschappelijk doel, aantreden van nieuwe vennoten, vestiging van de vennootschap op een andere plaats enz.

Thema's: Beroep > Het Instituut
Kernwoord(en):