Antiwitwasbeleid en strijd tegen de financiering van het terrorisme: drie denk- en actiepistes!

10/06/2008 -

Auteur: Roger Lassaux

Een constructieve sfeer waarin van gedachten werd gewisseld, een duidelijke politieke wil om de beoefenaars van de boekhoudkundige en fiscale beroepen bij de debatten te betrekken, een gemeenschappelijk streven naar een pragmatische aanpak. Dat waren de pijlers van twee recente politieke bijeenkomsten over de problematiek die van groot belang is voor het beroep, met name de bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme. De eerste bijeenkomst vond plaats op 23 april 2008 in het kabinet van staatssecretaris Bernard Clerfayt, toegevoegd aan de minister van Financiën, terwijl de tweede bijeenkomst verliep binnen het kader van het onderhoud met de heer Jo Vandeurzen op 19 mei 2008. In aanwezigheid van de vertegenwoordigers van de twee andere Instituten (IBR, BIBF), de FVIB (Federatie voor Vrije en Intellectuele Beroepen) en de voorzitter van de CFI (Cel voor Financiële informatieverwerking) op de eerste bijeenkomst, maakte het Instituut van de gelegenheid gebruik om zijn standpunten kracht bij te zetten en de nadruk te leggen op de sterke punten van zijn argumentatie en de gegrondheid van de aanpak in het kader van drie problemen, die hopelijk door de nakende omzettingsbepalingen van de derde antiwitwasrichtlijn in Belgisch recht op een billijke manier kunnen worden opgelost:

  • ‘aanvullende’ interpretatie van de indicatoren (artikel 14quinquies van de Wet van 11 januari 1993);
  • wettelijke anonimiteitwaarborg voor de melder – automatische toekenning door de CFI;
  •  vrijstelling van meldingsplicht in het kader van activiteiten van ‘juridisch advies’.

Aangezien de standpunten reeds grondig werden besproken in onze publicaties en tijdens de studievoormiddag van 19 oktober 2007, waarvan u het verslag op onze site kan lezen, zullen we ze hier niet in detail bespreken. U zal in deze bijdrage geen uitweiding van de discussies terugvinden, enerzijds omdat we unaniem een zekere vertrouwelijkheid van de debatten willen bewaren en anderzijds omdat we u vooral relevante en bijgewerkte informatie willen geven. Wat u wel zal terugvinden, zijn de eerste indrukken alsook de vooruitgang die werd geboekt na afloop van de besprekingen waarin onze standpunten werden verduidelijkt, besproken en van commentaar voorzien. Tot staving van ons betoog werden talrijke documenten, nota’s en andere statistieken, die zowel de gegrondheid als de relevantie van de aangevoerde argumenten aantonen, aan de betrokken ministers overhandigd, zodat er ruime vergelijkingsperspectieven mogelijk zijn met confraters die onder meer in de ons omringende landen werkzaam zijn.

 Indicatoren: naar een wettelijke erkenning van de ‘aanvullende’ interpretatie…

Artikel 14quinquies van de Wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme luidt als volgt: ‘Wanneer de in de artikelen 2, 2bis en 2ter beoogde instellingen en personen vermoeden dat een feit of een verrichting verband kan houden met witwassen van geld, afkomstig uit ernstige en georganiseerde fiscale fraude waarbij bijzonder ingewikkelde mechanismes of procedés van internationale omvang worden aangewend, brengen zij dit ter kennis van de Cel voor financiële informatieverwerking, inclusief van zodra zij minstens een van de indicatoren opsporen die de Koning vastlegt bij in Ministerraad overlegd besluit.
Ten aanzien van de in het artikel 2ter beoogde instellingen en personen, wordt de informatie overeenkomstig artikel 14bis, § 3, overgemaakt’.

De bedoelde lijst van 13 indicatoren werd al snel afgekondigd door het koninklijk besluit van 3 juni 2007 tot uitvoering van artikel 14quinquies van de wet van 11 januari 1993  tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en is op 1 september 2007 in werking getreden. Sinds de afkondiging ervan werden in de rechtsleer twee interpretaties ontwikkeld: een ‘aanvullende’ en een ‘autonome’ interpretatie, die beiden tegengestelde standpunten over de bedoeling van de wetgever tot uiting brengen. Iedereen is het er echter over eens dat de exacte draagwijdte niet helemaal duidelijk is.

* Volgens de ‘aanvullende’ interpretatie zouden deze indicatoren slechts als een element onder andere elementen moeten worden beschouwd, zoals de beroepservaring, de typologieën, de rechtspraak. Het zou gaan om knipperlichten, hulpmiddelen in het algemene reflectieproces dat gepaard moet gaan met de beslissing die de accountant en de belastingconsulent nemen om een melding van een vermoeden te doen aan de CFI. De loutere vaststelling van één van deze indicatoren is op zich niet voldoende om een melding te rechtvaardigen in die zin dat de accountant en de belastingconsulent altijd concreet moeten onderzoeken of er een verband bestaat tussen de opgespoorde aanwijzing en het witwassen van kapitaal afkomstig uit ernstige en georganiseerde fiscale fraude.

Deze interpretatie, die wij delen met eminente juristen, komt ook overeen met de huidige visie van de CFI.

* De ‘autonome’ interpretatie huldigt de stelling dat het opsporen van één enkele van de dertien indicatoren automatisch leidt tot de verplichting om een vermoeden te melden aan de CFI. De vaststelling dat deze interpretatie de goedkeurig kon wegdragen[1] van de vroegere vice-eersteminister en minister van Justitie, in antwoord op een parlementaire vraag (Parl.Vr. nr. 107 van 17 oktober 2007, Commissie voor de Justitie, Van der Maelen), heeft ons er echter toe aangezet om onze reflectie over de draagwijdte van deze indicatoren uit te diepen, met name via gesprekken met de betrokken ministers.

Zonder het belang ter discussie te stellen van de terbeschikkingstelling aan de melders van een lijst van indicatoren van wat ‘ernstige en georganiseerde fiscale fraude’ kan zijn, werden deze twee vergaderingen aldus te baat genomen om in het kader van een onderbouwde argumentatie de logica in de verf te zetten die aan de grondslag ligt van de ‘aanvullende’ interpretatie van de indicatoren. In die context moet er in de eerste plaats aan herinnerd worden dat de meldingsplicht, zoals artikel 14bis, § 2 van de Wet van 11 januari 1993 duidelijk aangeeft, alleen betrekking heeft op feiten vastgesteld tijdens de uitoefening van de beroepsactiviteit waarvan de accountant en de belastingconsulent weten of vermoeden dat ze verband houden met het witwassen van geld of de financiering van terrorisme, in de zin van artikel 3, §§ 1 en 1bis, van die wet. In het kader van dit denkschema dat tot het ontstaan van een vermoeden kan leiden, zelfs in fine tot de vaststelling van een zekerheid, waarbij bepaalde elementen de verplichting tot melding van de bedoelde feiten aan de CFI doen ontstaan, zijn schematisch verschillende fasen mogelijk. Aanvankelijk stellen de accountant en de belastingconsulent objectief een feit vast en bevinden ze zich in een vertrouwenssituatie. Om de onzekerheid op te heffen, zullen ze aanvullende informatie vragen aan de cliënt. Onbevredigende of onwaarschijnlijke antwoorden van die cliënt zullen twijfel doen ontstaan, kortom, een subjectieve speculatie in een sfeer van wantrouwen. Deze twijfel zal pas worden omgevormd tot een vermoeden (objectieve vaststelling in een sfeer van wantrouwen) wanneer de accountant en de belastingconsulent door specifieke aanvullende onderzoeken, op basis van objectieve en tastbare elementen, duidelijke incoherenties of onregelmatigheden vaststellen, met een redelijke zekerheid dat ze verband houden met het witwassen van geld of de financiering van terrorisme. Indien de accountant en de belastingconsulent na afloop van hun onderzoek geen twijfel meer hebben over het verband tussen de vastgestelde feiten en het witwassen van geld of de financiering van terrorisme, dan is er sprake van zekerheid, een situatie die vanzelfsprekend leidt tot de verplichting om een vermoeden te melden aan de CFI. In die evolutie van onzekerheid naar vermoeden, en zelfs naar zekerheid, lijkt het logisch dat alle elementen die voortvloeien uit de kennis die de externe accountant of belastingconsulent van hun cliënt hebben, van zijn handelsactiviteiten, zijn risicoprofiel en indien nodig van de herkomst van de gelden, in aanmerking moeten worden genomen. Uiteraard maakt een goede uitoefening van de identificatie- en waakzaamheidsverplichtingen bij de aanvang van de zakenrelatie een doeltreffende, des te vlottere uitoefening mogelijk van de meldingsplicht achteraf. Wat geldt in het algemeen kader van het witwassen en de financiering van terrorisme is logischerwijze van toepassing in het kader van wat er duidelijk een kernelement van vormt, in casu, de ‘ernstige en georganiseerde fiscale fraude waarbij bijzonder ingewikkelde mechanismen of procedés van internationale omvang worden aangewend’.  

De aanvullende interpretatie, die werd verdedigd tijdens de bijeenkomst op het kabinet van minister Clerfayt, kan in casu volledig worden gerechtvaardigd. In de memorie van toelichting van het koninklijk besluit lezen we: ‘de aldus gedefinieerde indicatoren zullen de twee weerhouden criteria[2] moeten verduidelijken die de fiscale fraude kenmerken wanneer ze wordt beschouwd als een onderliggend misdrijf van witwassen in de zin van de wet van  11 januari 1993’. We lezen er eveneens dat het opstellen van een lijst van indicatoren de instellingen en personen vermeld in de artikelen 2, 2bis en 2ter van de Wet van 11 januari 1993 lijkt te helpen bij hun analyse, gelet op de moeilijkheid om de gevallen van ernstige en georganiseerde fiscale fraude waarbij bijzonder ingewikkelde mechanismen of procedés van internationale omvang worden aangewend af te lijnen. Ten slotte wordt verduidelijkt hoe essentieel het is dat melders, bij de verplichtingen die hen worden opgelegd, zich moeten kunnen baseren op een lijst van indicatoren die verschillende situaties uit de praktijk weergeven waarmee de instellingen en personen, die onderworpen zijn aan de Wet van 11 januari 1993, worden geconfronteerd.  

Vervolgens werd het kernconcept van ‘aandachtigheid in het kader van een actieve aanpak’ opgeworpen in het kader van een eerste gedachtewisseling tijdens het onderhoud met minister van Justitie, Jo Vandeurzen. Er zou een parallel kunnen worden getrokken met het begrip ‘versterkte waakzaamheid’ dat geldt bij de identificatie van de cliënt wanneer de aard van de verrichtingen of van de cliënten een hoog witwasrisico vertoont. Algemeen moeten de beroepsbeoefenaars, die de antiwitwasregeling in acht nemen, met bijzondere aandacht elke verrichting onderzoeken die ze, door haar aard of door haar ongebruikelijk karakter, gelet op de activiteiten van de cliënt, de begeleidende omstandigheden of de hoedanigheid van de betrokken personen, bijzonder vatbaar achten voor het witwassen van geld of voor de financiering van terrorisme (artikel 8 van de wet). Er moeten redelijke maatregelen worden getroffen om de persoon of personen, voor wier rekening de verrichting wordt uitgevoerd, te identificeren wanneer er twijfel bestaat over de vraag of de cliënten handelen voor eigen rekening of wanneer het zeker is dat ze niet voor eigen rekening handelen, of wanneer de cliënt een rechtspersoon of een trust is (artikel 5 van de wet). Er moeten eveneens specifieke en passende identificatiemaatregelen worden genomen om tegemoet te komen aan het grotere risico voor witwassen van geld en voor financiering van terrorisme dat ontstaat wanneer zakelijke betrekkingen of verrichtingen worden aangegaan met een cliënt die met het oog op de identificatie niet fysiek aanwezig is (artikel 6bis van de wet). De derde richtlijn voorziet eveneens in versterkte waakzaamheidsmaatregelen voor politiek prominente personen (PPP), met inbegrip van deze van de Europese Unie. Met inachtneming van de toepassingsmodaliteiten van deze waakzaamheidsverplichtingen, die in voorkomend geval zijn versterkt, zoals ze werden omschreven door de in artikel 21 van de Wet van 11 januari 1993 bedoelde tuchtoverheden of toezichthoudende overheden, in casu het IAB, het BIBF en het IBR, blijft de boekhoudkundige of fiscale beroepsbeoefenaar vrij om het niveau van de redelijke of passende en noodzakelijke maatregelen die hij neemt, te beoordelen, net zoals het hem toekomt om in het kader van de voortdurende waakzaamheid die hij ten aanzien van de zakenrelatie moet uitoefenen, te beoordelen of hij al dan niet deze waakzaamheidsplicht kan nakomen, en zo niet, geen zakenrelatie met de cliënt aanknoopt of in stand houdt (artikel 4 van de wet). Tot slot komt het hem toe te beoordelen of er grond bestaat om de CFI in te lichten. Het is duidelijk dat er geen automatisch verband is tussen het bestaan van een bijzondere situatie bedoeld in de artikelen 5 en 6bis van de wet, zelfs wanneer de accountant en de belastingconsulent van mening zijn dat ze niet of niet meer in staat zijn om hun identificatieverplichting en hun waakzaamheidsplicht te vervullen, en een meldingsplicht aan de CFI wegens het loutere feit van hun vaststellingen (artikel 4, § 3 van de wet). Hieruit kan worden afgeleid dat bij een autonome interpretatie van de indicatoren in situaties met een verhoogd of vermeend risico, zoals het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, aan de boekhoudkundige of fiscale beroepsbeoefenaar, wat de melding aan de CFI betreft, niet de analyse- en oordeelcapaciteit zou worden toegekend die deze zelfde Wet van 11 januari 1993 hem toekent inzake identificatie en waakzaamheid in het kader van eenzelfde op risico’s gebaseerde aanpak.

De nadruk werd ook gelegd op het feit dat de combinatie van de autonome aard van de indicatoren en de heel ruime omschrijving van hun voorwerp ongetwijfeld tot talrijke problemen zal leiden bij de praktische toepassing ervan, inzonderheid voor de accountants en belastingconsulenten. De automatische meldingsplicht op basis van één enkele vaststelling, zonder enige analyse, van indicatoren die zo ruim zijn als bijvoorbeeld ‘de zeer forse stijging in een korte tijdspanne van de omzet op recent geopende bankrekening(en) die tot dan toe weinig of niet gebruikt werd(en), door een exponentiële toename van het aantal verrichtingen en hun omvang’ – indicator 5 – maar ook ‘de vaststelling van onregelmatigheden in de facturen die worden voorgelegd ter rechtvaardiging van de financiële verrichtingen, zoals het ontbreken van een BTW-nummer, nummer van een financiële rekening, factuurnummer, adres of data of wanneer deze gegevens niet kunnen worden verstrekt’- indicator 6 –, en die ongetwijfeld tot gevolg hebben dat de factuur onregelmatig is, maar daarom niet systematisch tot gevolg hebben dat ze verband houden met ernstige en georganiseerde fiscale fraude, zal in de praktijk in ruime mate onuitvoerbaar zijn en zal in elk geval de administratieve last van de melders verzwaren. Dat werd bewezen door het recent gebruik in Nederland van een te uitgebreide lijst van indicatoren, waardoor het land momenteel achteruit loopt. Hoe kunnen we dan niet legitiem vrezen dat deze feitelijke ongenuanceerde meldingsplicht bij de beoefenaars van de boekhouding en de fiscaliteit, die er rechtstreeks bij betrokken zijn, geen gevoel van afkeer zal teweegbrengen, aangezien ze ook duidelijk zal wegen op de vertrouwensrelatie die de kern uitmaakt van de verhouding met onze cliënten.

Afgezien van de louter statistische toename van het aantal meldingen van vermoedens, waartoe deze combinatie zeker zal leiden, werd er ook uitvoerig verwezen naar de vrees dat een dergelijke toename daarom nog niet garant staat voor een grotere doeltreffendheid van het stelsel tot bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van het terrorisme. Hoewel er meerdere meldingen worden vastgesteld, zoals blijkt uit het laatste verslag van de CFI, lijkt het moeilijk om er reeds de stempel van een indicatoreneffect in te ontdekken. Bovendien lijkt het nutteloos om het aantal meldingen nog te willen verhogen als het aantal strafrechtelijke veroordelingen en inbeslagnames niet proportioneel toeneemt. Niets wijst op een dergelijke evolutie; integendeel! Zonder vooruit te lopen op de maatregelen die genomen kunnen worden om te vermijden dat de werking van de CFI wordt geblokkeerd door de toevloed van meldingen, kunnen we terecht vrezen dat deze instelling onvermijdelijk zal worden geconfronteerd met de moeilijkheid om op basis van dergelijke fragmentaire elementen, zoals het ontbreken van een btw-nummer op een factuur, ernstige aanwijzingen van witwassen te vinden, die onontbeerlijk zijn voor het overmaken van het dossier aan het parket. In elk geval steunt de doeltreffendheid die men graag toekent aan de CFI ook fundamenteel op een uitstekend systeem van meldingen van vermoedens. De hoge kwaliteit van de meldingen, die door de beoefenaars van de boekhoudkundige en fiscale beroepen worden gedaan, wat regelmatig wordt benadrukt in de verslagen van de CFI, is te danken aan de analyse die momenteel op het niveau van de melders wordt uitgevoerd.

Als men bovendien de kwestie enkel bekijkt op het vlak van het aantal meldingen die bij de CFI worden ingediend, toont een vergelijking met gelijkaardige statistieken in de aangrenzende landen aan dat men moet opletten met alarmerende conclusies en overhaaste stellingnames, zoals die onlangs in de pers verschenen.

Uit het document “Statistische vergelijking met de belangrijkste buurlanden inzake het melden van witwasoperaties” blijkt dat België met 994 ruimschoots op kop ligt wat betreft het aantal meldingen per miljoen inwoners (194 meldingen in Frankrijk en 123 in Nederland). Het aantal meldingen van beoefenaars van cijferberoepen bevestigt deze koppositie. In het laatste jaarverslag van de CFI staat te lezen dat 31 meldingen werden ingediend, waarvan 8 afkomstig van een extern accountant of belastingconsulent. De beoefenaars van de cijferberoepen dienden 16 meldingen in Frankrijk in en slechts 4 in Duitsland. Hoewel het cijfer van 89 aangiften in Nederland enorm lijkt, mag men niet uit het oog verliezen dat dit grotendeels te wijten is aan een Nederlandse specificiteit, namelijk de “Money transfers”.

Kortom, uit de discussies blijkt dat het standpunt, dat na de vergadering op het kabinet van staatssecretaris Clerfayt de boventoon voerde, de stelling van de ‘aanvullende’ interpretatie van de indicatoren steunt. Na het onderhoud met minister Vandeurzen werd er een unanieme consensus bereikt over de noodzaak om in alle rechtszekerheid een duidelijke interpretatie te bieden voor de draagwijdte van deze indicatoren. Er zal snel een gezamenlijk standpunt worden opgesteld in het kader van een coördinatie onder de auspiciën van de heer Carl Devlies, de nieuwe staatssecretaris voor de coördinatie van de bestrijding van de fiscale fraude, toegevoegd aan de eerste minister, dat zou kunnen leiden tot een wettelijke afkondiging van de verwachte verduidelijkingen over de draagwijdte van deze indicatoren.

Tot slot hebben we onze vurige wens uitgedrukt om, zoals reeds bepaald is voor de Cel voor Financiële Informatieverwerking, de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen en de Belgische Federatie van de Financiële Sector, betrokken te worden bij het geplande overleg in het kader van de tweejaarlijkse evaluatieprocedure van deze indicatoren, zoals wordt aangegeven in de memorie van toelichting van het koninklijk besluit van 3 juni 2007. Er werden ons in die zin waarborgen gegeven over de deelname van de accountants en de belastingconsulenten aan deze evaluatieprocedure.

Afwijking van de meldingsplicht in het kader van de activiteit van ‘juridisch advies’

De Belgische wetgeving bepaalt dat accountants en belastingconsulenten in bepaalde omstandigheden hun cliënt in rechte kunnen vertegenwoordigen, hem verdedigen of zijn rechtspositie bepalen. In de huidige stand van de wetgeving genieten alleen advocaten de vrijstelling van meldingsplicht aan de CFI zowel wanneer zij de rechtspositie van hun cliënt bepalen als in de uitoefening van hun opdracht van verdediging of vertegenwoordiging van die cliënt. Het Instituut is van mening dat de wetgever deze vrijstelling ook zou moeten toekennen aan de leden van het Instituut wanneer ze op vraag van hun cliënt diens rechtspositie beoordelen, inclusief in het kader van de administratieve procedure.

Ons initiatief wordt ingegeven door drie redenen die ons inziens de voorgestelde wetswijziging volledig rechtvaardigen. 

  • Belgische advocaten. Een dergelijke wetsaanpassing lijkt ons des te meer gerechtvaardigd aangezien een dergelijke uitzondering in ons land bestaat voor advocaten, in casu voor de informatie die advocaten ‘van één van hun cliënten ontvangen of over één van hun cliënten verkrijgen wanneer zij de rechtspositie van hun cliënt bepalen, dan wel die cliënt in of in verband met een rechtsgeding verdedigen of vertegenwoordigen, met inbegrip van advies over het instellen of vermijden van een rechtsgeding’ (artikel 14bis, § 3, van de wet van 11 januari 1993). Zoals werd verduidelijk door het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 10/2008 van 23 januari 2008 is deze vrijstelling van de meldingsplicht niet louter beperkt tot de rechtsprocedures, maar ook van toepassing op alle juridische adviezen die een advocaat geeft. Indien de tussenkomst plaats heeft buiten elke rechtsprocedure om, strekt de activiteit van juridisch advies er, volgens het Hof, toe ‘de cliënt te informeren over de staat van de wetgeving die van toepassing is op zijn persoonlijke situatie of op de verrichting die hij overweegt, of hem te informeren over de wijze waarop die verrichting binnen het wettelijk kader kan worden uitgevoerd’. Vervolgens is de meldingsplicht (via de stafhouder) voor advocaten in de praktijk slechts mogelijk in uitzonderlijke gevallen: wanneer ze een activiteit uitoefenen in de gebieden die worden opgesomd in artikel 21ter van de Wet van 11 januari 1993 – bijstand van hun cliënt in de voorbereiding of uitvoering van transacties met betrekking tot de aankoop of verkoop van onroerende goederen of handelsondernemingen, beheer van gelden, effecten of andere activa van de cliënt – buiten zijn specifieke opdracht van verdediging en vertegenwoordiging in rechte en deze van juridisch advies.

Uiteraard zou deze uitzondering op de meldingsplicht van bepaalde feiten aan de CFI niet kunnen worden ingeroepen door de accountant en/of de belastingconsulent indien hij persoonlijk deelneemt aan de verrichting van witwassen van geld en financiering van terrorisme of louter met dit oogmerk een advies levert of indien hij vooraf weet dat zijn cliënt hem dat advies vraagt met het oog op een dergelijke verrichting.

  • Buitenlandse confraters. Aan de hand van talrijke bewijskrachtige documenten werd aangetoond dat de wetgevingen van de ons omringende landen (Duitsland, Frankrijk, Nederland maar ook Italië) wetsbepalingen bevatten op basis waarvan de informatie die werd verkregen in het kader van juridisch advies dat door confraters werd verleend evenmin onderworpen is aan de verplichting tot melding aan de betrokken plaatselijke financiële cel.
  • Beoefenaars van niet-gereglementeerde fiscale beroepen. De voorgestelde wetswijziging strekt er ten slotte toe om de ongerechtvaardigde discriminatie op te heffen tussen de accountants en belastingconsulenten en de beoefenaars van niet-gereglementeerde fiscale beroepen die, hoewel ze werkzaam zijn in België, daarom niet zijn onderworpen aan de bepalingen van de Wet van 11 januari 1993.

In een open Europese ruimte lijkt deze drievoudige vaststelling ons tot concurrentievoordelen te leiden, waardoor ons inziens de weg wordt geëffend voor oneerlijke concurrentie. In dat opzicht werd eraan herinnerd dat overweging 21 van de 3e richtlijn[3] van de Europese Unie de lidstaten het recht toekent om externe accountants en externe belastingconsulenten vrij te stellen van de meldingsplicht wanneer ze een cliënt in rechte verdedigen of vertegenwoordigen of de rechtspositie van die cliënt bepalen. De Europese wetgever formuleert duidelijk het principe dat rechtstreeks vergelijkbare diensten op dezelfde manier moeten worden behandeld, ongeacht welke beroepsbeoefenaar ze verstrekt. De richtlijn vereist niet dat de accountant en de belastingconsulent bevoegd zijn voor het verstrekken van juridisch advies en de verdediging van een cliënt in het kader van een rechtsprocedure.

Anonimiteit van de beroepsbeoefenaar die een melding doet

We hebben reeds de gelegenheid gehad om heel uitdrukkelijk in herinnering te brengen dat het Instituut voorstander is van het toekennen van een automatische en wettelijke gewaarborgde anonimiteit door de CFI in het kader van een bescherming van het vermogen en de integriteit van de melders. Wanneer het dossier aan het parket wordt overgemaakt omdat er ernstige aanwijzingen van het witwassen van geld aan het licht zijn gekomen, zouden de identiteit van de accountant en van de belastingconsulent worden bewaard in een afzonderlijk vertrouwelijk dossier. Bij de strafrechtelijke vervolging van de dader van het witwassen zou dit vertrouwelijk dossier niet worden overgemaakt aan de dader, noch aan de andere partijen. Een onafhankelijke en onpartijdige rechter, in casu de strafrechter, zou waken over de naleving van de wettelijke voorwaarden van toekenning van anonimiteit. Die rechter zou toegang hebben tot het vertrouwelijk dossier.                

Als antwoord werd eraan herinnerd dat het huidige systeem van overmaking van het dossier aan het parket, wanneer er ernstige aanwijzingen van witwassen zijn ontdekt, reeds ernstige veiligheidswaarborgen voor de melder biedt. Wanneer de CFI de aangeklaagde feiten ter kennis brengt van de procureur des Konings wordt de melding immers nooit bij het dossier gevoegd. De noodzakelijke informatie wordt verzameld in het overmakingsverslag dat nooit de identiteit van de melder vermeldt, maar alleen het gerechtelijk arrondissement, wat voldoende is voor de bevoegdheidstoewijzing. In voorkomend geval wordt een persoonlijke en vertrouwelijke brief naar de procureur gestuurd met vermelding van de identiteit van de melder. Er werd gedacht aan een principeverklaring, die de vraag zou opperen of de beroepsbeoefenaar van de boekhouding of de fiscaliteit die de melding doet, gehoord moet worden, en in bevestigend geval, de onderzoekers zou wijzen op de noodzaak om de anonimiteit te waarborgen naar analogie van de bepalingen die op gerechtelijk vlak bestaan.

Ten slotte werd vermeld dat de Belgische advocaten de CFI niet persoonlijk moeten informeren maar hun vermoedens moeten meedelen aan de stafhouder van de Orde waaronder ze ressorteren. De stafhouder moet de informatie dan, indien hij dat nodig acht, doorgeven aan de CFI, en dit zowel bij een eerste melding met betrekking tot één van hun cliënten als bij het verstrekken van aanvullende informatie over dezelfde feiten, op verzoek van de CFI (artikel 15, § 1 van de Wet van 11 januari 1993), zoals het Grondwettelijk Hof ook heeft vermeld in zijn arrest van 23 januari 2008 (arrest nr. 10/2008). Meer dan ooit gaat het dus om een procedure die feitelijk de anonimiteit garandeert van de advocaten die een melding doen.

Timing

De bepalingen voor de omzetting van de Derde Richtlijn zouden idealiter bij de hervatting van de werkzaamheden door het Parlement moeten worden behandeld. Wij zullen het nodige initiatief nemen opdat deze modaliteiten de wetswijzigingen omvatten die betrekking hebben op de drie problematieken waarover wij ons momenteel buigen. Het gaat in ieder geval om een zaak die wij op de voet volgen en waarover wij u geregeld zullen informeren.



[1] ‘Er (kan) mijns inziens weinig twijfel over bestaan dat de aanwezigheid van een van de indicatoren, opgesomd in het KB van 27 april 2007, moet worden beschouwd als een wettelijk vermoeden dat het een feit of een verrichting betreft die verband kan houden met witwassen van geld in de zin van de preventieve witwaswet en waarvoor men dus een melding moet doen aan de Cel voor Financiële Informatieverwerking’.

[2] Het eerste criteria is het ernstig karakter,  d.i. voornamelijk de aanmaak en of het gebruik van valse stukken, alsook het omvangrijke bedrag van de verrichting en het abnormaal karakter van dit bedrag gelet op de activiteiten of het eigen vermogen van de cliënt. Het tweede criterium betreft het georganiseerd karakter van de fraude, dat het gebruik vereist van  een constructie die opeenvolgende verrichtingen voorziet en/of de tussenkomst van een of meerdere tussenpersonen, waarin hetzij procedés van internationale omvang worden gebruikt, hetzij complexe mechanismen die blijken uit het gebruik van simulatie- of verbergingsmechanismen die een beroep doen op vennootschapsstructuren of juridische constructies.

[3] Overweging nr. 21 van richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 26 oktober 2005 tot voorkoming van het gebruik van het financieel stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme luidt als volgt: ‘Het verdient aanbeveling rechtstreeks vergelijkbare diensten op dezelfde wijze te behandelen, ongeacht welke onder deze richtlijn vallende beroepsbeoefenaren de diensten verstrekken. Met het oog op de waarborging van de eerbiediging van de rechten van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en het Verdrag betreffende de Europese Unie mag, in het geval van bedrijfsrevisoren, externe accountants en belastingadviseurs, die in sommige lidstaten een cliënt in rechte kunnen verdedigen of vertegenwoordigen, of zijn rechtspositie bepalen, de informatie die zij bij de uitoefening van deze taken ontvangen, niet onder de meldingsplicht van deze richtlijn vallen’.

 

Thema's:
Kernwoord(en):