Notionele interesten: algemeen bekend en steeds gemakkelijker te berekenen

23/07/2008 -

Auteur: Roger Lassaux

Nu de nieuwe simulator in werking is getreden, publiceert het Kenniscentrum voor Financiering van KMO (KeFiK) een studie die de betrokkenheid van het beroep aantoont alsook het nut  om de raad in te winnen van de beroepsbeoefenaars...

Een belangrijke studie van het KeFiK

Misschien behoort u tot de 700 accountants (en boekhouders) die de tijd hebben genomen om de vragenlijst van het KeFiK te beantwoorden en heeft u op die manier te kennen gegeven wat u, als beroepsbeoefenaar, vindt van de maatregel ingevoerd door de Wet van 22 juni 2005 of wat u zou wijzigen aan de toepassing ervan sinds de inwerkingtreding tijdens aanslagjaar 2007.

De meest opvallende resultaten van deze studie, die werd gevoerd in de loop van maart en april 2008, zijn de volgende:

De notionele interestaftrek is (zeer) bekend. De vennootschappen daarentegen zijn minder op de hoogte van de maatregel.

  • Slechts 13 % van de respondenten kent de simulator van het KeFiK voor de berekening van de notionele interestaftrek (zie hieronder);
  • De berekening van de notionele interestaftrek (o.a. correcties van het eigen vermogen) wordt als complex ervaren;
  • De twijfel over de duurzaamheid van de maatregel blijkt een belangrijke bron van ongerustheid (o.a. wat betreft de duur van de toepassing);
  • Zoals bekend zijn de notionele interestaftrek en de investeringsreserve niet cumuleerbaar. Vele vennootschappen geven reeds de voorkeur aan de notionele interestaftrek en men verwacht dat in de toekomst nog meer vennootschappen zullen overstappen van de investeringsreserve naar de notionele interestaftrek;
  • Aan de cliënten wordt de raad meegegeven gebruik te maken van fiscale optimalisering d.m.v. een verhoging van het eigen vermogen (door sterkere inhouding van de winsten of een kapitaalinbreng). Bovendien raadt 40 % van de accountants en de boekhouders sommige van hun zelfstandige cliënten aan over te stappen naar een vennootschapsstatuut;
  • Verwacht wordt dat het eigen vermogen en de solvabiliteitsgraad van de ondernemingen zal stijgen, wat echter niet noodzakelijk gepaard gaat met bijkomende investeringen. Men verwacht wel een invloed op de waardering van de onderneming;
  • Binnen het beroep wordt positief gereageerd op de notionele interestaftrek: meer dan 60 % van de ondervraagde personen vindt de notionele interestaftrek goed en zou er niets aan veranderen;
  • Zij die veranderingen wensen aan de maatregel pleiten voor:

a)      een vereenvoudiging van de maatregel en de berekening ervan, meer bepaald wat betreft de berekening van het gecorrigeerde eigen vermogen en de overschrijvingen tijdens het boekjaar;

b)      een hoger aftrekpercentage in het algemeen maar voor de starters en kmo’s in bijzonder; 47 % van de ondervraagden vindt dat de verhoging van het aftrekpercentage met 0,5 % voor de kmo’s niet genoeg is, terwijl 40% van mening is dat deze verhoging volstaat;

c)      meer transparantie: teksten betreffende de werking zijn soms onduidelijk of vatbaar voor meerdere interpretaties;

d)      antimisbruikmaatregelen: er wordt een inventaris van de gerechtelijke beslissingen inzake simulatie opgemaakt en aan alle controlecentra voor de vennootschapsbelasting en aan de dienst bijzondere belastinginspectie gezonden (Circulaire AOIF Nr. 14/2008 van 3 april 2008, lid 3, alinea 2);

e)      meer garanties inzake duurzaamheid;

  • Een alternatief voor de notionele interestaftrek is de verlaging van het tarief van de vennootschapsbelasting, zoals in andere EU-lidstaten.

De nieuwe versie van de simulator, die online beschikbaar is, laat nu eveneens toe wijzigingen te berekenen tijdens het boekjaar en de notionele interestaftrek te vergelijken met de investeringsreserve.

Het percentage van de aftrek voor risicokapitaal wordt voor elk aanslagjaar vastgesteld in verhouding tot het gemiddelde tarief van de 10-jarige OLO’s van het voorgaande jaar (3,781 % voor aanslagjaar 2008, 4,307 % voor aanslagjaar 2009). Dit tarief mag niet meer dan een procentpunt afwijken van het tarief dat van toepassing is tijdens het voorgaande aanslagjaar. Het tarief mag overigens nooit meer bedragen dan 6,5 %. Voor ondernemingen die op basis van de criteria van artikel 15, § 1 W.Venn. als kleine ondernemingen worden beschouwd, wordt het aftrekpercentage verhoogd met 0,5 % (hetzij 4,281 % voor aanslagjaar 2008 en 4,807 % voor aanslagjaar 2009). Kmo's die de regeling van de vrijgestelde investeringsreserve genieten, dienen een keuze te maken tussen de investeringsreserve en de aftrek voor risicokapitaal. Deze keuze is bindend voor het belastbare tijdperk in kwestie en voor de twee volgende belastbare tijdperken. Beide maatregelen kunnen niet worden gecumuleerd.

De fiscale voordelen van de notionele interestaftrek kunnen worden berekend voor een termijn van 5 jaar. Vanaf nu kunnen de vennootschappen bijgevolg de fiscale voordelen van de notionele interestaftrek en de investeringsreserve vergelijken en dit voor een periode van 5 jaar.

De nieuwe versie van de simulator van het Kenniscentrum voor Financiering van KMO biedt de mogelijkheid wijzigingen tijdens het boekjaar automatisch te berekenen. De tarieven van de notionele interestaftrek worden eveneens automatisch aangepast aan de huidige situatie (inkomsten 2007, aanslagjaar 2008).

Dankzij zijn functioneel karakter is de vernieuwde simulator van het KeFiK gebruiksvriendelijker voor de vennootschappen. Zij kunnen zich nu bovendien een beter beeld vormen van de maatregel die hen de meeste voordelen biedt, met name de notionele interestaftrek of de investeringsreserve. De handmatige berekening van de wijzigingen tijdens het boekjaar maakt voortaan deel uit van het verleden.

Bronnen

Thema's:
Kernwoord(en):