Het IAB informeert: recente gerechtelijke uitspraken van belang voor het beroep
17/01/2011
-
Juridische dienst
1. Bescherming van het monopolie van de boekhoudkundige activiteiten: verplichting tot controle van de hoedanigheid van de onderaannemers in boekhoudkundige beroepen
In een beslissing van 2 november 2009 heeft de correctionele rechtbank van Brugge een extern accountant veroordeeld wegens medeplichtigheid aan de onwettige uitoefening van het beroep van boekhouder.
De betrokken accountant had een persoon op zelfstandige basis in dienst genomen die, zo bleek later, over geen enkele vereiste erkenning beschikte om de activiteiten van boekhouder te mogen uitoefenen. Daarbovenop bleek deze zich schuldig te hebben gemaakt aan tal van strafrechtelijke inbreuken, waaronder fraude en valsheid in geschrifte.
Het IAB-lid verantwoordde zich voor de rechtbank door te stellen dat er sprake was van onderaanneming en dat het bijgevolg zijn kantoor was dat uiteindelijk aan de cliënten factureerde. Daarnaast benadrukte de accountant dat hij al zijn medewerkers steeds een overeenkomst laat ondertekenen waarin zij duidelijk verklaren te voldoen aan alle wettelijke voorschriften.
De rechtbank heeft deze verdediging niet aanvaard en bevestigt dat ook in het kader van onderaanneming enkel personen die over de vereiste erkenning beschikken de activiteiten van boekhouder mogen uitoefenen. Ter ondersteuning wordt verwezen naar de parlementaire voorbereiding van het wetsontwerp tot wijziging van de kaderwet van 1 maart 1976 waarin wordt gesteld dat het verbod geldt voor de uitoefening van het beroep “als zelfstandige, ongeacht of het voor eigen rekening is, dan wel als werkend vennoot, vennootschapsorgaan of zaakvoerder die niet aan een arbeidsovereenkomst onderworpen is”.
Het laten ondertekenen van een verklaring stellende aan alle wettelijke voorschriften te voldoen, doet volgens de rechtbank niets af aan de verplichting van de beroepsbeoefenaar om na te gaan of zijn/haar zelfstandige medewerkers wel degelijk toegang hebben tot het wettelijk beschermde monopolie van het beroep van boekhouder.
Naar ons weten is dit de eerste toepassing van de regels van het monopolie inzake boekhoudkundige activiteiten op samenwerkingsverbanden op zelfstandige basis.
Het vonnis is definitief. Een samenvatting van het vonnis kan worden geraadpleegd op de website van het BIBF.
2. Uitoefening van het beroep van boekhouder via een niet-erkende vennootschap kan strafbaar zijn, zelfs al heeft men toegang tot het beroep als natuurlijke persoon!
Alle leden van het BIBF en het IAB die hun beroep uitoefenen in het kader van een rechtspersoon moeten hun vennootschap laten erkennen door hun beroepsinstituut.
Dit principe wordt voorgeschreven door respectievelijk artikel 20 van het KB van 1 maart 1998 tot vaststelling van het reglement van plichtenleer der accountants en artikel 10 van het KB Plichtenleer van het Beroepsinstituut van Boekhouders van 23 december 1997 en kan aanleiding geven tot tuchtsancties.
Dat de uitoefening van professionele activiteiten via een niet-erkende vennootschap eveneens kan worden gekwalificeerd als een strafrechtelijke inbreuk, zelfs wanneer de zaakvoerder als natuurlijke persoon wel over de nodige erkenning beschikt, wordt nu uitdrukkelijk bevestigd door het Hof van Beroep van Antwerpen.
In haar beslissing van 7 oktober 2010 heeft het Hof immers geoordeeld dat “door respectievelijk als feitelijk zaakvoerder en statutair zaakvoerster/aandeelhoudster boekhoudactiviteiten te hebben uitgeoefend in het kader van een bvba zonder ingeschreven te zijn op het tableau van boekhouders of op de lijst van de stagiairs gehouden door het Beroepsinstituut van erkend Boekhouders en Fiscalisten een inbreuk wordt gepleegd op artikel 3 van de kaderwet van 1 maart 1976 tot reglementering van de bescherming van de beroepstitel en van de uitoefening van de dienstverlenende intellectuele beroepen en de artikelen 46, 47 en 48 van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen, strafbaar gesteld bij de artikelen 10 tot en met 13 van de vernoemde kaderwet van 1 maart 1976 en artikel 58 van de wet van 22 april 1999”.
De verdachte had de hoedanigheid van extern accountant en werd veroordeeld tot een correctionele gevangenisstraf met uitstel.
3. Opdrachten van gerechtelijke expertise: de aansprakelijkheidsvordering tegen de beroepsbeoefenaar verjaart na verloop van vijf jaar (artikel 2276ter Burgerlijk Wetboek)
Het Hof van Beroep van Luik heeft in een arrest van 2 december 2010 (2009/RG/1300) bevestigd dat artikel 2276ter van het Burgerlijk wetboek, dat luidt:
“§ 1. Deskundigen zijn ontlast van hun beroepsaansprakelijkheid en zijn niet meer verantwoordelijk voor de bewaring van de stukken tien jaar na het beëindigen van hun taak of, als deze hun krachtens de wet werd opgedragen, vijf jaar na de indiening van hun verslag.
Deze verjaring is niet van toepassing wanneer en deskundige uitdrukkelijk met het bewaren van bepaalde stukken is belast.
§ 2. De vordering van dekundigen tot betaling van kosten en ereloon verjaart na verloop van vijf jaar.”,
van toepassing is op een opdracht van gerechtelijke expertise die door een accountant in een strafzaak wordt uitgevoerd, op verzoek van een onderzoeksrechter.
De vordering in aansprakelijkheid tegen deze accountant verjaart bijgevolg door verloop van een termijn van vijf jaar, die op de dag van de neerlegging van het verslag begint te lopen.
Belanghebbenden kunnen een naamloos afschrift van dit arrest bij de juridische dienst verkrijgen.
De juridische dienst nodigt eveneens alle accountants en belastingconsulenten uit om alle beslissingen van hoven en rechtbanken mee te delen, die betrekking hebben op en van belang zijn voor de uitoefening van het beroep.