Beroep van het IAB tegen de Wet van 2 juni 2010 betreffende de mede-eigendommen

1/03/2012 - IAB

De Wet van 2 juni 2010 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek teneinde de werking van de mede-eigendom te moderniseren en transparanter te maken, voegt in het Burgerlijk Wetboek een nieuw artikel 577-8/2 in, luidende:

De algemene vergadering wijst jaarlijks een commissaris van de rekeningen aan, die al dan niet mede-eigenaar is, wiens verplichtingen en bevoegdheden bij het reglement van mede-eigendom worden bepaald”.

Op 28 december 2010 hebben het IAB, het IBR en verschillende externe accountants en bedrijfsrevisoren tegen deze wet een beroep tot vernietiging ingesteld bij het Grondwettelijk Hof.

Dit beroep strekte ertoe te laten bevestigen dat de opdracht van “commissaris van de rekeningen” van de mede-eigendom, bedoeld in artikel 577-8/2 van het Burgerlijk Wetboek wettelijk enkel mag worden toevertrouwd, hetzij aan een mede-eigenaar, hetzij aan een externe accountant of een bedrijfsrevisor.

Enkel zij zijn inderdaad wettelijk bevoegd om opdrachten uit te voeren die “alle boekhoudstukken nazien en corrigeren” impliceren in privéondernemingen, openbare instellingen of voor rekening van elke belanghebbende persoon of instelling (artikel 34, 1° juncto artikel 37 van de Wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen).

De tekst van de betreffende wetsbepaling sloot nochtans niet uit dat de opdracht aan een derde zou worden toevertrouwd die geen mede-eigenaar is, maar desgevallend ook niet zou beschikken over de hoedanigheid van extern accountant of bedrijfsrevisor, zelfs indien de voorbereidende werkzaamheden van de wet aantonen dat de parlementsleden het bestaan van het wettelijke monopolie omtrent de werkzaamheden van nazien en corrigeren van boekhoudkundige stukken in acht hebben genomen.

Een tweede argument werd geput uit het feit dat de aangevochten wetsbepaling het mogelijk maakte voor iemand die geen bedrijfsrevisor was, om de titel van “commissaris van de rekeningen” te dragen, die gewoonlijk voorbehouden is aan bedrijfsrevisoren.

Een arrest werd op 15 december 2011 uitgesproken. Het beroep wordt in zijn beide middelen verworpen.

Deze verwerping houdt geenszins een veroordeling in van de argumentatie die door de Instituten en de andere verzoekers werd voorgehouden in verband met monopolie van hun leden bedrijfsrevisoren en externe accountants, wel integendeel: ze wordt hiermee bevestigd.

De Ministerraad, die de bestreden wetsbepaling verdedigde, verklaarde de keuze van de wetgever als volgt:

A.5.1. De Ministerraad voert aan dat de aanwijzing van een commissaris van de rekeningen tegemoet moest komen aan de door de wetgever nagestreefde transparantie van de boekhouding van een mede-eigendom en grotere betrokkenheid van de mede-eigenaars. Daarom kon niet worden vereist dat de commissaris van de rekeningen bedrijfsrevisor of extern accountant is, aangezien de bedoelde betrokkenheid dan maar mogelijk zou zijn indien zich onder de mede-eigenaars een bedrijfsrevisor of een externe accountant zou bevinden. Het verschil in behandeling tussen de commissarissen mede-eigenaars en de commissarissen niet-mede-eigenaars is dus objectief verantwoord en proportioneel.

(…)

A.6. De Ministerraad besluit dat het normaal is een ruime appreciatiemarge aan de mede-eigenaars toe te kennen, aangezien de controleoperaties van de commissaris van de rekeningen in het enige belang van de mede-eigenaars worden verricht. De mede-eigenaars moeten dus ook in staat zijn de commissaris van de rekeningen aan te wijzen, hetzij door voor een vergoede externe professional te kiezen, hetzij door om niet een beroep te doen op één van de mede-eigenaars.
Bij die laatste keuze spelen uiteraard de kosten van het beroep op een externe commissaris een rol, alsook de consequente besparing die kan worden gemaakt door gebruik te maken van de diensten van een mede-eigenaar.
Het is onder haar eigen verantwoordelijkheid en conform de ratio legis van de bestreden wet dat de algemene vergadering van de mede-eigenaars kan beslissen om de taak van commissaris van de rekeningen toe te wijzen aan iemand die niet over de technische en professionele bekwaamheid van een bedrijfsrevisor of een externe accountant beschikt, indien de aanwijzing van een professional niet absoluut noodzakelijk blijkt .


Hieruit blijkt dat, volgens de tegenpartij zelf, de aangevochten wetsbepaling slechts twee mogelijke gevallen inhoudt:

  • ofwel is de “commissaris van de rekeningen” een mede-eigenaar en, in dit geval, kan er redelijkerwijze niet worden geëist dat deze mede-eigenaar tevens de hoedanigheid heeft van extern accountant of bedrijfsrevisor. Het IAB en het IBR hebben trouwens nooit het tegendeel beweerd!
  • ofwel is de “commissaris van de rekeningen” een vergoede externe professional, en in dit geval moet het gaan om iemand die “over de technische en professionele bekwaamheid van een bedrijfsrevisor of een externe accountant beschikt”, d.w.z. een bedrijfsrevisor of een externe accountant.


De beslissing van het Grondwettelijk Hof sluit volledig aan bij deze logica: zo verklaart zij dat “De wetgever vermocht ervan uit te gaan dat het past de functie van "commissaris van de rekeningen" tevens open te stellen voor mede-eigenaars die niet noodzakelijk bedrijfsrevisor of externe accountant zijn, opdat die functie kan bijdragen tot de betere betrokkenheid van de mede-eigenaars bij het toezicht op de rekeningen van de mede-eigendom”. (considerans B.9).

Het arrest leert ons dat, ondanks het gebruik van de woorden “commissaris van de rekeningen”, de in art. 577-8/2 B.W. geviseerde opdracht een opdracht is van het gezamenlijke monopolie van de externe accountants en van de bedrijfsrevisoren, als ze niet aan een mede-eigenaar wordt toevertrouwd.

Ondertussen is het debat rond controle over het bestuur van mede-eigendommen weer gaan waaien. Zo stelt het IBR, in zijn memorandum aan de regering, regeerperiode 2010-2014, dat de werkzaamheden om de werking van mede-eigendommen te moderniseren en hun beheer transparanter te maken, die in de Wet van 2 juni 2010 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek resulteerden, niet als afgerond kan worden beschouwd. Hij stelt voor dat de wet elke bezoldigde beheerder zou verplichten de vorm van een vennootschap aan te nemen waarvan de rekeningen verplicht door een commissaris zouden worden gecontroleerd.

Het IAB blijft aandachtig voor elke relevante ontwikkeling in dit dossier.

 

Arrest nr. 187/2011 inzake het beroep tot vernietiging van de Wet van 2 juni 2010 tot wijziging van het B.W. teneinde de werking van de mede-eigendom te moderniseren en transparanter te maken, en, minstens, van artikel 10 ervan, ingesteld door het Instituut van de Bedrijdsrevisoren en anderen.

 

Thema's: Beroep > Opdrachten
Kernwoord(en):