Samenwerkingsvormen 

Samenwerking tussen leden onderling

Leden van het Instituut kunnen zich associëren in een professionele vennootschap om het beroep uit te oefenen. Deze vennootschap moet worden erkend door het Instituut.

Daarnaast kunnen zij onderling een middelenvennootschap oprichten, met als doel: alle of een gedeelte van de functiegebonden kosten in gemeenschap brengen. Een dergelijke vennootschap dient niet te worden erkend door het Instituut, maar de accountants en/of belastingconsulenten die hierin een bestuursmandaat uitoefenen, moeten wel de toelating krijgen van de Raad van het Instituut. De toelating zal enkel worden verkregen als het gaat om een zuivere middelenvennootschap: een vennootschap die enkel alle of een gedeelte van de functiegebonden kosten in gemeenschap brengt.

Samenwerking met andere beroepen

"Onder een of meer accountants of belastingconsulenten en andere personen die al dan niet lid zijn van het Instituut, maar die niet dezelfde hoedanigheid hebben, noch een in het buitenland verworven hoedanigheid die door de Koning als gelijkwaardig erkend is, mag geen enkele vennootschap worden opgericht (...) tenzij met de voorafgaande en steeds herroepbare toelating van de Raad van het Instituut, en mits de door de Koning gestelde voorwaarden worden nageleefd."

Artikel 42 betreft zowel middelenvennootschappen als professionele vennootschappen.

De voorwaarden voor de middelenvennootscahppen worden hieronder uiteengezet. Voor de samenwerking binnen een professionele vennootschap kan u meer informatie terugvinden via de link "Administratie lidmaatschap". 

  1. De vennootschap mag slechts worden opgericht met personen wier beroep van intellectuele en dienstverlenende aard is, en op voorwaarde dat het gaat om een beroep dat in ten minste één der landen van de Europese Gemeenschap georganiseerd en gereglementeerd is.
  2. De vennootschap mag noch in eigen naam, noch in naam van één der leden, noch op enige andere wijze, een functie, mandaat of opdracht uitoefenen die behoort tot de beroepsactiviteit der leden.
  3. De vennootschap mag niet worden belast met het innen van de honoraria voor opdrachten behorend tot de beroepsactiviteit van de leden.
  4. Onder de voorwaarden door de Raad bepaald, mag de overeenkomst een clausule bevatten over het gebruik van de maatschappelijke benaming door de vennoten. Het gebruik van de maatschappelijke benaming door de vennoten mag geen aanleiding geven tot een nadelige verwarring met een vennootschap die gemachtigd is om in eigen naam het beroep van haar leden uit te oefenen. 
  5. Iedere andere voorwaarde bepaald door de Raad van het Instituut met het oog op het vrijwaren van de onafhankelijkheid van de accountant en/of de belastingconsulent in de uitoefening van zijn opdracht.

Zie bijhorende artikelen:

  • Artikel 42 van de Wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen.
  • Artikel 21 van het KB van 1 maart 1998.